Misschien had Plato het dan toch
fout...Misschien had hij zich slechts vergist van grot, want laten we
eerlijk zijn: er zijn heel veel grotten en filosofen zijn ook maar
mensen. Misschien ligt de ware wereld wel in deze grot met zijn
stalen skelet en zijn zeilenbedekking. Althans zo lijkt het mij nu
toch. Ze vlokken hier allemaal samen en kijken naar een realiteit in
viervoud. Eentje in realtime en 3 met vertraging, al was het maar een
milliseconde. En ik? Ik kijk naar de laatste soort, me afvragend of
het geluid of het digitaal signaal nu sneller is. Man, er zijn veel
LED-jes op zo'n scherm. Perspectivisme, zegt dat u iets? De
draaimolen op de tweemast? Zoek het anders even op want ik heb niet
zoveel zin of tijd. Vier realiteiten maar de blikken liggen anders.
Waant de tweede soort zoomt in en kijkt terug. Een buitenpersoonlijke
introspectie... Klinkt raar als je het zo zegt... We hebben bij ons
thuis een album van Woodstock liggen (deel van de stage announcements
incluis). Op een moment wordt er verkondigd dat er op het festival
een baby is geboren, waarna Woodstock een stad wordt genoemd. Zo erg
is het hier nu nog niet en godzijdank, want op dat punt in je
zwangerschap naar festival gaan vind ik wat gevaarlijk, als is het
hier nog zo kind- en springkasteelvriendelijk. En de kinderen die
hier wel zijn? Hen vrees ik te moeten melden dat ze enkele dagen,
maanden of jaren te vroeg zijn. Sorry, lievelingen. Maar voor u of
jullie het idee krijgen, ik ben hier natuurlijk niet alleen in deze
massa. Mijn metgezellen, mijn compagnons als het ware, staan in de
grot, genietend van de energetische verleiding van latino-muziek.
Nietzsches carpe diem is hier niet slechts een leuke opmerking, maar
haast een credo. “Maar, Willem” vraagt u mij nu, “waarom mengt
gij u als zuiver-dyonisisch feestbeest niet met deze faunen?” Wel
lieve lezer(s), omdat ik niet graag in de grot zit. Het is geen
agora- of claustrofobie ofzo. Maak u maar geen zorgen. Nee, ik word
gewoon nogal onwennig. Denken zij hetzelfde als ik? Die mensen in de
grot? Hmm, 'kdenketni'? Ligt de wereld dan hier, buiten de grot? Nee,
dat niet. Want zij stappen ten minste niet uit het leven dat ze nu
beleven, of proberen dit althans niet te doen. En eveneens moet u
zich geen zorgen maken. Ik doe niet veel meer dan mentale excursies,
schooluitstapjes van mijn eigen kleine, fijne filosofische school.
San Lorenzo Street is a mixture. A mixture of languages, both in the sense of the descendants of the mother of all languages (still to be found) and of language in the sense of thought and specific means of expression. Poetry, philosophy and everyday meandering are mixed into this new form of archiving, the new public diary. Globalise the economy! Globalise politics! Globalise your life!
Ode aan de dood
maandag 25 juni 2012
woensdag 7 maart 2012
Mogelijk Filosofisch Voorwoord
“Le silence eternel des ces espaces infinis
m'effraie.”
-Blaise Pascal, Pensées, 1669-
De onrijpe mens is snel geneigd een monopolie op de
waarheid op te eisen. Zijn emoties en passies drijven hem naar een
epistemologische dictatuur. Die neiging wordt versterkt wanneer het
aankomt op zijn eigen leven. Hij wil leven zoals hij wil leven,
volgens regels die hij heeft opgesteld of desnoods mee akkoord gaat.
Kijkt hij achterom, dan ziet hij het ontstaan van een eigenheid, een
onmiskenbare singulariteit die in de wereld een plaats inneemt die
geen ander toekomt. Kijkt hij om zich heen, dan ziet hij een vrucht,
rijp om te plukken, of een braakliggende akker, slechts bloeiend in
onkruid en modder, maar hoe dan ook de plaats waar hij een hand in
speelt, een hand die niet geketend zal worden door een ander dan
zichzelf. Kijkt hij voor zich uit, dan ziet hij de volbrenging van al
zijn dromen en wensen en het graf dat voor hem klaar staat, met een
epitaaf ter zijner vereeuwiging. Mag ik u vragen wat een mens doet
wanneer hij wel rijp is? Waar ligt de grens tussen de hybris van de
jeugd en de overmoed van de volwassene? De mens is een dier dat
domineert, zowel in staat als in gezelschap en wanneer de
buitenwereld niet op de knieën valt, begint hij aan een innerlijke
zelfkastijding ter controle van de ziel. Spreek woede en word
gehoord! Spreek liefde en matiging en vind een wereld die doof is
geworden door te luisteren naar uw tegenstander!
Maar laten wij waarheid zoeken in onszelf. Wat vinden we
dan? Niet meer dan steentjes van een mozaïek, die steeds van vorm en
kleur verandert, naargelang de toeschouwer zijn gemoed. De wereld is
groter dan het menselijk besef van de ene en ook van de vele. Zij
sijpelt tussen opvattingen door, een onuitgesproken destillatie van
verleden, heden en toekomst, niet gebonden aan categorieën of
vastgelegd in oudewijvenpraat. De wereld rust in de ervaring en
emotie voor taal en gedachte. Zij passioneert ons om dan te verdwijnen
wanneer wij haar willen aanspreken, als de verlegen geheime geliefde,
die zwijgt wanneer haar fluisteren door haar geliefde wordt
beantwoordt.
Waar moeten wij dan waarheid zoeken als wij zelf geen
totaliteit bezitten en de wereld te schuchter is om onze vraag te
beantwoorden? Zoek waarheid bij de werelden die wel tot u spreken.
Zoek waarheid bij uw medemens en tracht de mozaïek te herbouwen.
Spreek tot anderen en ontdek de indirecte stem van de wereld om ons
heen, want zoals de puzzelaar het voorbeeld van de doos begint te
herkennen in de kleine constellaties van puzzelstukjes die hij al
heeft gevormd, zo beginnen wij de wereld te herkennen in het
samenbrengen van gedachten en visies, hoewel wij het zonder voorbeeld
zullen moeten stellen. Spreek en luister, ontdek waar de grenzen van
uw singulariteit liggen en een overstap naar het transcendente, naar
de ander en naar de wereld wordt gezet. Laat u troosten door de
woorden van een ander en laat u verleiden door zijn tong.
Het leven is te groot om te vatten in en op zichzelf,
haar essentie ligt in haar uiterlijkheid. Bewonder haar, bestudeer
haar, maar vergeet nooit dat zij nooit volledig de uwe zal zijn, maar
steeds op zichzelf blijft bestaan, toegankelijk voor allen, maar
slechts te bezitten voor hen die haar delen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Dit is het voorwoord voor een korte paper die ik moet schrijven dit jaar. Of hij ook bij de paper zal worden toegevoegd, hangt af van het aantal pagina's dat mijn paper heeft.
maandag 27 februari 2012
Picadilly Notebook Entry #19
Valentijn
14-02-2012
Het
eerste jaar van de Picadilly Notebook! Hiep, hiep! Hoera! Al een jaar
lang heeft dit boekje de twijfelachtige eer het slechtst onderhouden,
onregelmatigste dagboek ooit te zijn, evenals een essay- en
gedichtenbundel. In zekere zin belichaamt deze verzameling van inkt,
potlood en zo'n 240 bladzijdes (als ik mij niet vergis) de
heterogeniteit van mijn bewustzijn. Ik mis alle focus om een rode
draad te scheppen doorheen een hele bundel en dus heb ik het op mij
genomen ten minste op elke Valentijn dit bastaardkind van mijn
melancholie en opleiding te huldigen en te feliciteren en het voorbije
jaar eens te bekijken. Ik ben nu 20 jaar en sta aan het begin van het
decennia waarin ik mijn studies normaal gezien zou moeten afmaken en
een productief lid van de maatschappij hoor te worden (a.k.a. werk
vinden) en weg van huis ga wonen. Laten we hopen dat alle 3 met niet
al te veel problemen verlopen.
In
de eerste entry som ik enkele zaken op waarvan de eerste Tia is. Ja,
Tia. De derde Miserlou in een lange, lange lijst. Toen ik vorig jaar
haar vermelde was het uit verliefdheid, nu is het uit wat Raksha, de
Indische uit Dubai die vriendschap stopzet vanwege oppervlakkigheid
en “leegheid”, bittersweetness noemt. Een mengeling van pijn en
genot, blij dat het goed is, verdrietig dat het niet anders is.
Toen
ik vorig jaar met haar afsprak was het uit liefde, om haar te winnen.
Toen ik dit jaar zaterdag 11/02 met haar afsprak was het om mee naar
een bende mensen te gaan waarvan ik enkel haar ken en voor mezelf nog
maar eens bevestigd te zien dat ik slecht ben met vreemden en met
groepen. Ik hoop maar dat ik geen storende factor was voor Tia en de
rest van de youtube-gathering. Ook wil ik Shalini bedanken voor haar
inzet als organisatrice en haar feliciteren met haar kunsten op dat
domein. Misschien is het ook wel belangrijk aan te merken dat ik Tia
en Sidney het beste wens. Blij dat het goed is, verdrietig dat het
niet anders is.
Het
tweede semester van mijn tweede bachelorjaar is begonnen, met goede
punten voor het eerste. Weer 1/8 dichter bij mijn diploma. De invloed
van mijn opleiding zal steeds meer en meer merkbaar worden naarmate
de inkt verder en verder over de pagina's van dit boekje heen kruipt.
Hoe filosofie mijn leven nog verder zal bepalen is nog steeds een
bron van vraag, verwarring en twijfel voor mij.
Dat
was leven, liefde en filosofie. Nu nog kunst. Het conservatorium was
geen al te groot succes. Buiten na ronde 1 voor Woordkunst en na
ronde 2 voor Acteren. Ach ja. Het geeft me een dieper, hoewel
negatief (negatief als in de zin van 'het heeft die kenmerken niet',
niet als in een waardeoordeel) beeld van acteren en dat is
ook belangrijk. Het dichtstbijzijnde toneelgebeuren is de stuntshow
deze zondag. Als het aankomt op zelfstandige projecten, “Yadda
Yadda VZW” was een groot succes, maar er ligt momenteel niets in
het verschiet. Frappant TXT-on-stage heeft mijn teksten ook
vriendelijk afgewezen. Competitie-schrijver gaat me ook niet zo vlot
af als verwacht. Dan zijn er nog de tentoonstellingen waar een 3-tal
teksten van mij werden geëxposeerd. Mijn deelname aan deze expo's is
integraal mogelijk gemaakt door Ann Van de Velde, die ik dan ook
oprecht bedank. Dank u wel, Ann, voor de hulp en de steeds boeiende
conversaties. Toch wil ik nog even stilstaan bij de tentoonstellingen
(en in zekere zin ook bij de dissectie-tekenmarathon). Ik heb mezelf
altijd al een Kerouaceske voorbijganger gevonden wanneer het aankomt
op muziek. Een reiziger die, niet geheel vrij van kritiek op de
regels van de maatschappij, op zoek is naar waar de wereld echt van
leeft en daarom van plaats naar plaats trekt, langdurige stilstand
niet aanvaardend, uit angst wortel te schieten en vast te roesten,
maar nooit verder raakt dan wat notities van een toeschouwer, nooit
een echte participant. Dit gevoel bekroop me ook bij de
tentoonstellingen en de dissectie-tekenmarathon. Het waren
voornamelijk beeldende kunstenaars die meewerkten en participeerden. Men kan zeggen 'kunst is kunst', maar dan zou ik ten eerste ontzet
zijn door zo'n ruwe uitspraak en daarna verward dat men zo weinig oog
zou kunnen hebben voor de essentie en werking van de afzonderlijke
disciplines. Elke kunstdiscipline heeft zijn eigen taal (Ja, daar is
dat woord weer, Ann) en deze kan actief en/of passief gekend zijn. Om
beide vormen van kennis nader te definiëren zal ik de analogie
tussen communicatieve (lees als babbeltaal) en artistieke taal
uitgebreider uitwerken, maar dit in het volgende essay, want dat zou
me te ver weg leiden van dit essay en diens functie. Om het simpel te
zeggen voelde ik mij niet thuis. Ik kan beeldende kunst met veel
moeite interpreteren, maar maken? Verder dan scèneplaatsing en
lichaamshouding raak ik niet. Voor moderne of postmoderne kunst heb
ik uitleg of toch ten minste context nodig om een betekenis te kunnen
geven. En dit als onderscheid tussen visuele en conceptuele
herkenbaarheid, wat ik eveneens volgend essay zal bespreken.
Beeldende
kunst en woordkunst zijn andere talen, andere systemen, en ik voel me
snel 'unheimlich' als ik woordkunst verlaat. Het gevoel een toerist
met een handje vol basiszinnetjes uit een vreemde taal, hopend dat ik niet
verder moet gaan dan dat, te zijn bewonder ik de vaardigheden van
kunstenaars, zonder enig idee waar die beweging, die
kleurencombinatie of die lijnenverzameling voor staat. Verder dan de
uitleg op de bordjes raak ik maar met de grootste moeite. Daarom
spreek ik niet veel mensen en houd ik me enigszins afzijdig tot er een
adequate hoeveelheid tijd is verstreken om dan het minimum aan
vaarwels en tot-de-volgendes te verdwijnen en het alles onderweg naar
huis nog eens te overdenken in het emotioneel, sociaal solipsisme dat
me zo eigen is en in de artistieke taal en volgens het systeem waar
ik me thuis in voel.
Ergens
tussen de witruimtes is het leven hier weer tussen gekropen. Tot
volgend jaar, Valentijn!
Picadilly Notebook Entry #18
One is the loneliest number 19-12-2011
Ben ik een existentialist? Goede vraag,
Ik. Laten we eens op een kort onderzoek uitgaan. De
existentialistische filosofie waar ik mezelf mee zal vergelijken is
die van Jean-Paul Sartre. De 2 redenen voor deze keuze zijn 1) het is
de meest bekende en 2) het is de meest gekende van de 20ste eeuwse
existentialistische filosofen. Laten we beginnen bij de
gelijkenissen: Net als Sartre ben ik voornamelijk gericht op de
menselijke existentie (en metafysica ook, maar dat terzijde), e.i.
emoties, denken, bewustzijn, zin van het leven... Doordat dit de
onderzoeksdomeinen zijn is er het haast onlosmakelijk verband met de
kunst en bij Sartre en mij specifieker de woordkunst. De reden
hiervoor heb ik in mijn essay 'Filosofie en Theater' besproken. De
kenmerken van theater en diens waarheid gelden ook voor de andere
disciplines van de woordkunst. Ook de analyse van het dagelijkse is
een punt van gelijkenis, wat ik toch als een logisch gevolg van de 2
vorigen zie.
Tijd voor de verschillen? Awel, laten
we zeggen van wel. Het grootste verschil tussen Sartre en mij, lijkt
mij het verschil in centrale begrippen in ons denken. Ik ga het idee
van Sartre over het verlangen, de vrijheid, het niets en de 'mauvaise
foi' misschien wel deels overnemen, maar ik stel ook nog wel enkele
andere ideeën centraal in mijn levensfilosofie. Enkele van die
begrippen zijn de nietigheid en de fundamentele eenzaamheid. Het is
de tweede die ik in dit essay verder wil bespreken. De nietigheid heb
ik al even kort aangeraakt in mijn essay 'Waar de trein stopt', voor
de geïnteresseerden.
De mens is een sociaal wezen, dat is
moeilijk te ontkennen. We praten met elkaar, paren, wonen samen, gaan
in verenigingen, sporten, dansen, acteren,... We hebben anderen nodig
en hoewel de ander niet levensnoodzakelijk is, is hij voor het grote
merendeel van ons onontbeerlijk. Het is net door de sociale drift dat
de mens eenzaamheid voelt. We voelen een leegte en ervaren een harde
wereld. Eenzaamheid is niet het fysisch alleen zijn, het uiterlijke
feit van niemand rond zich te hebben. Eenzaamheid is het onvermogen
om een (diepere) relatie aan te gaan, door omstandigheden of door
meer innerlijke factoren. Eenzaamheid kan dus ook voorkomen wanneer
men niet alleen is. Iemand die meer observerend van aard is, ziet
zijn medemensen dan als de robots in Descartes 2de meditatie.
Eenzaamheid heeft ook de neiging een self-fullfilling prophecy en/of
een vicieuze cirkel te worden.
Maar natuurlijk kan ons “alledaagse”
gevoel van eenzaamheid verholpen worden door met vrienden op café te
gaan of een filmpje te pikken of enig andere sociale activiteit.
Spijtig genoeg gaat deze vlieger niet op voor de fundamentele
eenzaamheid omdat zij het gevoel overstijgt en een existentiële
categorie vormt. Zij is onlosmakelijk met het zelfbewustzijn
verbonden. Het vergeten van eenzaamheid is niet het ontdoen van
eenzaamheid. Wat houdt deze fundamentele eenzaamheid dan in? En
misschien is dit wel het punt waar ik het meeste verschil met Sartre.
Ik zie de mens niet in een eeuwige, oneindige zoektocht naar zijn Ik,
naar zijn persoonlijkheid. (Ik maak hier onderscheid tussen eeuwig en
oneindig. Het eerste wijst hier op de universaliteit doorheen tijd en
ruimte van deze zoektocht, waar oneindig meer duidt op het feit dat
deze zoektocht geen einde kent.) In mijn levensfilosofie is de mens
in een eeuwige, oneindige zoektocht naar een manier om zijn 'Ik',
zijn persoon te veruitwendigen. De mens tracht zijn persoon in de
buitenwereld te kunnen “vestigen”, een “spoor” na te laten,
en dat is het bereiken van een 'en-soi'. Het 'en-soi' is niet een
“imploderen” van een 'Ik' in een dierlijke staat van
niet-zelfbewustzijn, maar het zich compleet vertrouwd maken met de
buitenwereld. Er zijn hier 3 manieren voor: een religieuze, een
destructieve en een moderne. Ik zal elk van deze 3 kort bespreken.
Het eerste is...(Rad van
Argumentatie)...religieus. Hiervoor is er een studie van het
zielsconcept nodig. Het christelijke zielsconcept is in zekere zin
een verbastering van het Platoonse zielsconcept. Bij Plato is de ziel
oneindig (in de algemene zin, niet zoals hierboven besproken) in
beide richtingen, dus oneindig en “onbeginnelijk”. Bij de
geboorte wordt de ziel “gevangen” in het sterfelijke lichaam (in
deze beoordeling zien we de wortels voor “het vlees is zwak” of
“de zonde van het vlees”, die we vinden in het Christendom). Deze
Platoonse ziel geeft de materie (die als pure stof geen wezen of
kenmerken heeft) de vorm van mens-zijn. De ziel wordt “verzwakt”
doordat zij uit zichzelf (de Ideeënwereld) wordt gerukt en in de
wereld wordt gesmeten. De referentie is niet moeilijk te vinden. Onze
ziel kan enkel terug tot deze “eenzelvigheid” komen door te
sterven of deels door zich te wijden aan de filosofie, de kennis van
de natuur, de eeuwige kennis.
Belangrijk zijn twee zaken: het willen
samenvatten met een realiteit die meer omvat dan de eigen persoon en
samenvallen zien als een verwerven van kennis! Deze twee zaken zijn
haast de motto's van de twee andere manieren om met de buitenwereld
vertrouwd te worden, één te worden, een en-soi te worden. Enkel de
mens bezat deze ziel volgens Plato. Plant en dier hadden ook een
ziel, maar deze was van zo'n aard dat het wezen automatisch tot stand
kwam en er dus automatisch er een vereenzelviging met de buitenwereld
ontstond.
Het zielsconcept wordt overgenomen en
aangepast door Aristoteles die een beweging, een verandering, een
drijvende kracht zal toekennen aan de vorm van de dingen. De ziel
treedt in een actieve relatie met de buitenwereld en probeert
zichzelf te ontwikkelen in de realiteit, zij tracht haar innerlijke
capaciteiten (haar potenties) te realiseren, te veruitwendigen, te
actualiseren.
Het zijn deze twee zielsconcepten die
in het christelijke zielsconcept verenigd worden. Ten eerste is er de
ziel die sterft en opgaat in de hemel en belangrijker in God, het
buitenzelvige Ik dat ons allen in zijn beeld geschapen heeft. Een
ziel, de eigenheid van elk individu wordt opgenomen in de substantie
die niet enkel ons heeft geschapen maar ook de wereld rond ons, zo
ontstaat er een band tussen mens en wereld. En ontstaat ook de
begrenzing aan de eindigheid en de singulariteit van het Ik, want
zodra het in God wordt opgenomen, wordt het deel van een wereld
buiten zichzelf. Datgene wat Aristoteles meegeeft in verband met het
zielsconcept is 1) het wezen als drijvende kracht tot veruiterlijking
en 2) de maakbaarheid van onze uiterlijkheid. Het eerste zien we ook
al bij Plotinus en het neo-platonisme waar de ziel streeft terug te
keren naar de God waar hij uit is voortgevloeid. Bij het christendom
zien we dit bij de ziel die tracht terug te keren naar God. Voorbeeld
hiervan is het a posteriori godsbewijs van Bonaventura. Uit puntje 2
is de hele idee van zonde en boetedoening ontstaan. Onze
uiterlijkheid kan dus wegdrijven van vereenzelviging, maar door terug
in het reine te komen met ons diepere, wezenlijke kant, door terug te
werken naar het innerlijke dat het uiterlijke drijft, kunnen we terug
dichter komen bij de hogere buitenwereld, het hogere 'Ik'.Het
stoïcijnse ideaal van berusting in de wil van god is hier ook op
gericht.
De 2de manier om een eenheid te vormen
tussen Ik en buitenwereld is de destructieve manier, die we duidelijk
zien bij het Boeddhisme en andere oosterse heilfilosofieën. De
destructieve manier tot zelfvereniging is de vernietiging van het
zelf om zo automatisch een te worden met de buitenwereld. Deze
eenwording met de natuur door het 'Ik' radicaal te ontkennen, de
eigen eindigheid te accepteren in het licht van de universele
eindigheid of oneindigheid van de orde zal uiteindelijk een
spiegelreactie worden, waardoor de orde van de natuur een denkorde
wordt. Dit breekt het substantie-denken en zet een harmonie-denken in
de plaats. Door dit harmonie-denke is er een essentiële verbinding
tussen persoon en buitenwereld.
De derde manier zien we in het
positivistische ideaal en eerder in de ethiek van Spinoza. De moderne
manier om het 'Ik' en buitenwereld op eenzelfde “niveau” te
brengen is het verzamelen van kennis en zo de geheimen te
ontluisteren en een gevoel van herkenning, thuis-zijn en zelfs
controle te krijgen. Door de fundamenten van het universum te
ontdekken, toont de mens zijn fundamentele mogelijkheden.
Wat nu met onze postmoderne tijd? Hier
zien we een samenkomen van de destructieve en de moderne verhalen.
Sinds de grote verhalen gedaan zijn zit de seculiere mens zonder een
collectieve zin en wordt hij teruggebracht tot het individu. Het
gemeenschapskarakter van de religie is weggevallen en het
neo-liberalisme maakt spreken over zin lastig. Dit en de drukte van
het hoogmoderne leven duwen de postmoderne mens naar de persoonlijke
rust van het zen-boeddhisme, terwijl de technocratische wedloop onze
wetenschappelijke kennis steeds verder duwt. Maar dit klinkt allemaal
heel abstract, misschien is een concreter voorbeeld wel handig.
Hiervoor zal ik privé-bezit bespreken. Deze gedachte vormde zich
toen Lize me een vraag stelde over waarom er zoveel belang wordt
gehecht aan prive-bezit. Zoals ze wel regelmatiger doet, kwam deze
vraag plots en via sms. Wanneer we ons bewust worden van ons 'Ik',
van ons persoon zijn, ontstaat er een dualiteit. Het 'Ik' voelt zich
gescheiden van de wereld, hij wordt plots thuisloos. Hij ontdekt een
wereld die niet past bij zijn 'Ik' en het met momenten zelfs
tegenwerkt. Hij moet trachten zijn persoon terug in de wereld te
plaatsen en deze externalisering is in zijn meest materiële vorm het
privé-bezit. Huis, auto, speelgoed, geld, meubilair, voedselkeuze,
... zijn de relikwieën die door het diepste 'Ik' in de buitenwereld
worden geplaatst. Ook in ons sociaal contact willen we ons 'Ik'
veruitwendigen. Sterker nog, het is een van de grootste bronnen dat
we überhaupt sociaal contact hebben, naast de kwestie van overleven
en voortzetten van de soort. In gespreken spreekt de mens en
positioneert hij zich in zijn wereld en die van anderen. Dit wilt
zeggen dat er een onbewuste strijd in elk gesprek aanwezig is.
Erkenning en overtuiging worden nu cruciaal voor het persoonlijke
contact. En hoewel er gesteld kan worden dat er stille mensen zijn,
is er steeds een beoordeling, een toepassing van maatstaven op het
andere dan het 'Ik'.
Allemaal goed en wel, maar wat heeft
dit met de titel van dit essay te maken? De titel van dit essay is
verbonden met de onmogelijkheid van dit project. De mens kan zich
niet volledig veruitwendigen, waardoor er een fundamentele
eenzaamheid ontstaat. Voor ik verder ga wil ik even mijn concept van
eenzaamheid definiëren en ineens onderscheiden van alleen zijn. Ik
ben op dit moment in de Agora van de UA. Voor mij zitten 10 mensen en
rechts voor 4. Dat zijn 14 mensen die ik direct kan aanspreken. I ben
niet alleen en niet eenzaam. Ik ben aan geen van deze mensen buiten
op een biologisch en breed-ethisch niveau verbonden. We zijn allen
mensen (homo sapiens sapiens) en zo zijnde verantwoordelijk voor
elkaar. Hoewel dit heel sterke banden zijn, voel ik geen emoties voor
hen buiten een antropofiele sympathie en de gevoelens en vooroordelen
die voortkomen uit oppervlakkige observatie. Ik ben niet alleen omdat
ik anderen om me heen waarneem. Ik ben mij bewust van de aanwezigheid
van anderen. Zolang ik hier van bewust ben, ben ik niet alleen. Wat
wel kan veranderen (en makkelijk kan veranderen bij iemand met een
onstabiel gemoed als het mijne) is of ik eenzaam ben of niet.
Eenzaamheid is de onbevredigde drang tot (de vorming van) interactie
en (diepere) relaties. Eenzaamheid is niet zich alleen, maar zich
apart voelen, apart van anderen en in ergere gevallen van de wereld.
Eenzaamheid kan voortkomen uit een gevoel van superioriteit,
equaliteit en inferioriteit. Descartes' gedachte van de twijfel of de
mensen geen automaten zijn is niet veraf wanneer we een
equaliteitseenzaamheid voelen. Het valt me op dat equaliteit hier
misschien wat extra uitleg nodig heeft. Equaliteit of gelijkheid
krijgt hier niet zijn morele of politieke invulling, die dat ik die
vormen van equaliteit niet belangrijk acht. Equaliteit krijgt hier
een mogelijheidsinvulling, het zien van anderen als met dezelfde
basale vaardigheden. Een eenzaamheid gegrond in equaliteit, betekent
dan een eenzaamheid gefundeerd in de gedachte dat het contact en de
relatie met een ander onmogelijk is vanwege de gebrekkige
vaardigheden van e mens. Om het iet of wat schematischer voor te
stellen:
Superioriteit: De ander verstaat mij
niet, ondanks mijn vaardigheden.
Inferioriteit: De ander verstaat mij
niet, omdat ik mij niet kan uiten.
Equaliteit: De ander verstaat mij niet,
omdat de mens als soort niet over de juiste vaardigheden
bezit, waardoor ook ik hém niet kan verstaan.
De eenzaamheid uit equaliteit staat het
dichtste bij de fundamentele eenzaamheid. De fundamentele eenzaamheid
kan beschreven worden als equivalentie-eenzaamheid ten top gedreven.
De fundamentele eenzaamheid is een onbevredigde drang om zijn diepste
'Ik' te uiten (en nu begin ik als een zelfhulpboek te klinken). Er is
een onuitspreekbare singulariteit die verweven is met de
persoonlijkheid van ons handelen, denken en voelen, de Jemeinigkeit
zoals Heidegger zou zeggen. Maar waar Heidegger abstraheerde,
plaatste Sartre hem weer terug.
De fundamentele eenzaamheid is het
besef dat het onmogelijk is om zichzelf helemaal bloot te leggen en
zo compleet in het leven van anderen op te gaan. De fundamentele
eenzaamheid is het besef dat het onmogelijk is om zichzelf helemaal
bloot te leggen en zo compleet in het leven van een ander op te gaan.
Ik spreek niet enkel over de sociale gedragsregels, maar ook over de
onmogelijkheid om een standpunt in de ander te bewerkstelligen die
hetzelfde is als het eigen standpunt. Het 'Ik' en de 'Ander' hebben
een onbeïnvloedbare kern die verbonden is met het persoonlijk leven
en de aangeboren en aangeleerde disposities. Het is die zuiver-eigen
kern die het onmogelijk maakt om de 'Ander' het eigen standpunt aan
te laten nemen en zo de fundamentele eenzaamheid tot stand brengt.
Wanneer worden we ons bewust van deze
fundamentele eenzaamheid in het dagelijkse leven (in onderscheid met
een situatie als de deze)? De fundamentele eenzaamheid toont zich in
discussies die geen einde lijken te hebben omdat er steeds naast
elkanders standpunt wordt gediscussieerd. In de peripetieën van het
emotionele leven (geboorte, dood, liefde en haat) en in afstandname
van het eigen leven. In afstandname van het persoonlijke leven wordt
de verhouding Ik- Ander – wereld des te duidelijker en is er ruimte
voor de fundamentele eenzaamheid die we uit didactische overwegingen
de ruimtes tussen de delen van de verhouding noemen, in tegenstelling
tot 'ikanderwereld'.
Wil ik hier een bewustzijn van de
fundamentele eenzaamheid afdwingen of verkondigen? Er is geen dwazere
hoogmoed dan de mens, niet in staat zijn ziel en huishouden op orde
te houden, die de anders leven wil bepalen. De mens kan zich niet
steeds van de fundamentele eenzaamheid van zijn bestaan bewust zijn.
Dat zou hem tot depressie of zelfs erger nog, tot waanzin drijven. In
het gewone gesprek, het gewone dagelijkse leven voelt de mens de
fundamentele eenzaamheid niet en onbewogen beweger zij dank. Het is
slechts in het breekpunt van de sociale passies (liefde & haat)
dat de fundamentele eenzaamheid voelbaar wordt, alsook bij momenten
van intense onzekerheid. Al de andere momenten zijn een zachte,
gezellige verdoving die het mogelijk maakt voor de mens om te
functioneren. Blaise Pascal had gelijk wanneer hij schreef dat de
mens eenzaam is tussen het zwijgende oneindige kleine en het
geruisloze oneindig grote, maar hij vergat dat wat er tussen ligt kan
spreken en dit ook zonder laten doet.
donderdag 2 februari 2012
PalinDroom
De Natuur,
Schepper van
Liefde, leed en wijsheid
Huist verscholen in en achter
De materie van het fenomena en het noumena
MAAR
Wie de waarheid slechts in wetenschap zoekt,
Een concept van het verbasterde kind
Wordt langzaam neergelaten in
Een wereld boven en binnen
Gecreëerd door
Het Ik
Schepper van
Liefde, leed en wijsheid
Huist verscholen in en achter
De materie van het fenomena en het noumena
MAAR
Wie de waarheid slechts in wetenschap zoekt,
Een concept van het verbasterde kind
Wordt langzaam neergelaten in
Een wereld boven en binnen
Gecreëerd door
Het Ik
maandag 19 december 2011
Picadilly Notebook Entry #17
07/12/2011 Kerstexamenblues
Eééén
het is december! De laatste collegeweken zijn vertrokken en
binnenkort is het kerst en Nieuwjaar. Sinterklaas is al geweest en
misschien komt het doordat het jaarthema voor de jeugdbewegingen van
dit jaar (Armoede is een onrecht, maak er spel van!) invloed op me
heeft, maar ik ben blij dat het niet zoveel is geweest, hoewel er ook
nog de cinema en de Quick/McDonald-maaltijd op de kosten van ons
moeder en de Jos, wat ook geen goedkope dingen meer zijn.
Met
elke dag dat de blokperiode dichterbij komt, stijgt de stress. Ik heb
ook niet meer mijn nonchalance die ik had doorheen het middelbaar en
het lager onderwijs. Elke examenperiode lijkt nu gepaard te gaan met
een existentiële crisis aangaande mijn studiekeuze en mijn
potentieel binnen het domein van de filosofie. Zal ik de metafysica
redden van Nietzsche en Kant?
Zal
ik een literair filosoof worden, de Voltaire van de Lage Landen, de
Michel de Wilrijk of de Kundera van België dat tegen dan hopelijk
nog bestaat? Of zal ik de in de filosofische vergetelheid raken tot
de volgende grote geest, misschien opgesloten in de bibliotheek voor
het weekend omdat het personeel hem vergeten was, het stof eens van
mijn boek blaast en inspiratie vindt of op de oplossing tot een
probleem tuimelt en zo zijn meesterwerk kan voltooien en mij de
twijfelachtige eer van een voetnoot schenkt? Word ik een
voetnootfilosoof, het zwarte schaap of de nieuwe Messias van
Post-post-moderne Tijd?
Maar
nu vertrek ik vanuit de vooronderstelling dat door mijn Bachelor en
Master Wijsbegeerte raak, maar het is maar al te denkbaar dat ik
daarvoor al breek. Wat ik dan ga doen, daar heb ik geen enkel idee
over. Misschien toch maar eens serieus aan een artistieke carrière
beginnen werken. Proberen gepubliceerd te worden of een
toneelgezelschap ineen te steken. Maar ja, als er nu een onzekere
beroepswereld is,...
Naar
de politiek dan maar! Daar kan eender welke oelewapper in doorstoten
precies. En al dat werk dan? Daar heb ik dan assistenten voor. Het
enige dat ik moet doen is mijn zegje doen, mijn stem laten horen en
charismatisch zijn. Check, check en check!
Plan
C staat dus vast. Ik hoop voor ons allen dat A of B slagen en dat ik
nooit de politieke arena (of crèche, al naargelang uw cynisme)
betreed.
zaterdag 10 december 2011
Picadilly Notebook Entry #16
27-10-2011 Het universeel
paradigma
Wat
ziet de mens toch graag de verschillen. Hij staat zich blind op
kledij, kunst, geloof en gewoonte, terwijl het net die dingen zijn
die ons een maken die de grootste bron van vreugde en lijden zijn.
Onze passies verbinden ons tot een soort, een jaloerse soort die
liefheeft, vrijt, kust, knuffelt, haat, doodt, slaat, schopt, vreest,
huilt, vertrouwt, wantrouwt, hoopt, wanhoopt, beschuldigt en
vergeeft. De mens vergeet vaak deze menselijke grond omdat hij zelf
teveel onder invloed staat ervan.
Goed,
na dit begin dat mijn overstap naar het eigenlijke onderwerp van dit
essay erg bemoeilijkt: tijd! Tijd, dat wat we bezitten door het te
verspillen. Tijd is het universele paradigma, dat axioma, die
categorie die ons een besef van vervloeiing geeft, vervloeiing in
iets nieuws of in de herneming van het begin of in het ergste geval:
vervloeiing in het niets.
Wij
zijn psychologisch compleet afhankelijk van het idee “Tijd” en de
beleving ervan. De mens verliest zijn grip op de realiteit als hij
zijn grip op de tijd kwijtraakt, maar toch hebben we geen directe
ervaring van tijd. (En hier staat of valt heel dit stukje. De komende
argumentatie zal een logisch en interessant standpunt moeten tonen.)
Ik zeg dat we geen ervaring van de tijd als een onafhankelijke
instantie. We ervaren geen seconden of jaren. We ervaren enkel de
verandering in de fysieke wereld of het verloop van onze gedachten.
Het zijn die ervaringen die we dan afbakenen aan de hand van
tijdeenheden, maar een seconde ervaren zonder minstens een van de
twee anderen gebeurt niet en ik derf zelfs zeggen is onmogelijk.
Daarom dat de tijd kan vliegen of kruipen, omdat er geen zekere,
onafhankelijke perceptie van de 4de dimensie is (kwestie van eens
andere bewoordingen te gebruiken). Het voorbeeld bij uitstek 'in de
goede oude tijd' voor het verleden, 'dezer dagen' voor het heden en
'een nieuwe tijd breekt aan' voor toekomst (samengaan met het heden).
Hier komen ook ineens de 3 tijdscompartimenten aan bod. Onze
verhouding tot drie is misschien even bepalend als ons tijdsbesef
zelf. De doelen die we horen na te streven en de normen die we moeten
volgen worden sterk bepaald door welk tijdscompartiment centraal
staat in een (sub-)cultuur. Doordat er een grote tijdspanne was
waarin ik deze entry, dit essay, uit het oog verloren had, is mijn
enthousiasme om het grotere doel er van uit te werken weggeëbd.
Indien er toch vraag naar is, laat het dan maar weten. Waar ik mee
eindig is: misschien moeten we eens gaan hercentraliseren.
dinsdag 4 oktober 2011
Basecamp in friendzone
Momma said: Son, plenty of fish in the
sea
You're always just a step away from a
lover-to-be
But I'm a brown goldfish from the state
fair
From the bag to the bowl to the
porcelain chair
I'm nothing but a beast of burden,
But man, my back is hurtin'!
Take me home or leave me in the stable
But know I always try to get out when
able
Come on, let's put up basecamp in the
friend zone
Plenty of people, but don't worry,
you'll feel alone
We've got wine and beer to drink and
nights to spare
Spread some love, you'll get your
friendly share
I'm riding a tandem bike by myself
Second helmet waiting on the shelf
I'm a pro at setting myself check mate
Something I tend to do on a first date
Solitaire is the only card game I know
And I always get the last ticket for
the show
But momma said there's a girl out there
for me
And making her smile would be the key
Come on, let's put up basecamp in the
friend zone
Plenty of people, but don't worry,
you'll feel alone
We've got wine and beer to drink and
nights to spare
Spread some love, you'll get your
friendly share
Ik heb geen idee wat dit wordt, geen idee wat het onderwerp zal zijn en of het een echte conclusie zal worden. In een zekere zin is dat de visie die ik momenteel heb op mijn toekomst (een idee dat ik al heb ontkracht met een vriendin). Ik heb vandaag geleerd voor Historisch Overzicht. De filosofie van de moderne tijd in een notendop en het opmerken van de zinsvraag die langzaamaan haar legitieme oplossingen en haar publiek kwijtraakt, of toch in de systemen. En nu, nu ik moe ben en mentaal uitgeput. Nu rest er nog net die vragen die ik steeds minder bevredigd tegenkom in mijn cursus. Wat is de zin en wat zal ik met mijn leven doen? Wat zal ik betekenen voor deze godvergeten en god vergeten branche van onze maatschappij?
Het tegenwoordig standaardantwoord op de eerste vraag is: is er niet, heb gewoon plezier. Ik ga eerlijk zijn: dat kan ik niet. Ik kan niet zulke vrijheid aan en ik zie ook niet in hoe zo'n vrijheid kan volgehouden worden. Onze aandacht wordt steeds maar geleid door vrijheid, zoveel mogelijkheid voor zoveel mogelijk mensen. Maar we gaan verder en verder, geen oog werpend op de tegenhanger van vrijheid: verantwoordelijkheid. We strijden voor steeds meer vrijheid, maar missen vaak de verantwoordelijkheid die meekomt met die vrijheid. We zijn vrij in onze seksualiteit, maar vergeten een beetje de verantwoordelijkheid die we hebben om het alles een plaats te geven. Het is natuurlijk waar dat we meer en meer oog beginnen krijgen voor de gevolgen van onze vrijheid: de ecologische problematiek wordt besproken en aangepakt, we zien dat we zorg moeten dragen voor de economisch minderbedeelden. Maar dit worden verantwoordelijkheden van de staat, niet van ons. We willen vrij zijn van beperkingen die onze levensstijl aanpassen. De problemen zijn zaken van de staat. Maar weet je, NEE! We zijn allemaal vrij en we zijn allemaal verantwoordelijk. Tijd dat we eens stoppen te zeggen dat we niets kunnen doen! De staat kan helpen, maar het probleem stamt evengoed van ons en misschien moeten we maar eens accepteren dat een compleet liberalisme niet zo goed voor ons is als we denken. We moeten eens nadenken over hoeveel vrijheid we nodig hebben en wanneer we teveel hebben.
Wat ga ik met mijn leven doen? De Onbewogen Beweger moge het weten. Je hebt inderdaad het idee dat je keuzes maakt en dat is ook zo. Ik heb gekozen om filosofie te gaan studeren, tegen financieel en werkzekerheidgewijs advies in. Ben ik trots op die keuze? Trots over zo'n dingen is voor mensen die zich eerst gebonden hebben gevoeld aan het advies erover. Heb ik me dan niets aangetrokken van dat advies? Natuurlijk wel, ik denk ook wel na over m'n keuzes. Maar ik stond op m'n keuze en op m'n vrijheid en heb gekozen. Sartre heeft gezegd dat als je een ethische keuze maakt, dat je ze dan met heel je zelf te maken. Ik weet niet of dat wel zo is. Er zijn niet veel dingen waar je zowel rationeel als emotioneel in kunt opgaan. Liefde is een wonder en acht ik van nature goed, maar het is 1. zinverbijstering 2. iets waaruit we soms moeten ontsnappen en dat is vaak iets dat moet komen door een reflectie over onze emotie. De mens heeft de wonderlijke eigenschap van zijn eigen te kunnen contradicteren. Zoals we keuzes kunnen maken met ons hart en met ons verstand, kunnen we ook die keuzes aanpassen vanuit deze twee "principes". De mens geniet het voordeel van twee bronnen van gedachten te hebben, maar ze kunnen allebei even schadelijk zijn. We zitten dus al meteen in een conflict met onszelf. We zullen vaak een keuze maken vanuit één bron en dat ervaren we dan als vrijheid, maar de ander kan tegenwerken en daar zit er al een grens aan de vrijheid. Ook de tijd past onze vrijheid aan. De keuze die gemaakt wordt, wordt anders ervaren wanneer er wat tijd voorbijgegaan is. Er komt een nieuwe keuze en we gaan dus weer onszelf aanpassen. Maar...is dat wat ik moet verstaan onder vrijheid? Het herhaaldelijk kunnen kiezen vanuit een gedachtebron die misschien wordt tegengesproken door een andere? Ik kan zelfs niet iets kiezen en daar m'n levenlang voor kiezen? Je kunt het natuurlijk zien als een vrijheid om niet heel je leven hetzelfde te doen, maar...ik wil m'n leven lang lief hebben, m'n leven lang gelukkig zijn, een job vinden die ik m'n leven lang wil doen...een job vinden die ik m'n leven lang wil doen...een job vinden...Ik kan in godsnaam zelfs niet een job kiezen. Ik moet ze godverdomme nog vinden ook. Ik moet in de gemeenschap waar ik leef iets vinden dat zij me aanbied als geldwinst en dan moet ik maar proberen iets te vinden dat me genoeg aanstaat om me niet te laten sterven als een perfect functionerende, doodgestresseerde hersendode zak vlees. Kan ik niet m'n eigen job creëren in plaats van een invulling te moeten geven aan één van de opties die me gegeven wordt? Is dat mijn vrijheid? Het invullen van een kader? Maar misschien ga ik nu wat te ver. Ik ben heus vrij, ik mag tenslotte men job kiezen. Goed dus ik heb jobvrijheid en ik mag veranderen als het me dan toch niet aanstaat. Prachtig. M'n zin mag ik ook zelf kiezen. M'n eigen doel, m'n eigen onderhoud. Want ik moet mezelf natuurlijk onderhouden. Eten kopen, kleren hebben, warmte voorzien...ok, dus ik ben niet vrij van mijn fysiologische benodigdheden. Of van m'n hormonen anders kon m'n hart niet kiezen...maar dat zal wel het enige zijn waar ik in m'n natuur afhankelijk van ben...het naturalisme zegt van niet...het sociobiologisch determinisme zegt ook van niet...Maar ik heb controle over m'n eigen natuur. Perfectibilité volop. De rede zal me vervolmaken...de rede zal me vervolmaken...klinkte als een kille schreeuw in een leegte van wantrouwen...Hebben Schopenhauer, Freud en Nietzsche ons dan niets geleerd? Baas in eigen geestelijke huis? Tzal ni waar zijn. Vrijheid van het onbekende in de geest...wat is dat nu voor een vrijheid? Maar ik kan er tegenin gaan. Ik kan het controleren. Ik maak vrije keuzes! Ik controleer de natuur. In m'n bakstene huis, onder m'n dikke jas en met het geteelde voedsel op m'n bord. Prachtig toch die vrijheid, gebracht door de wetenschap. De wetenschap zal me vrijheid geven. Ik zal een vrij leven leiden. In een wereld die door de mens wordt bepaald...door de mens en door niets anders...waarom kan ik niet anders dan de mens zeggen? Door een soort van gemeenschapsgevoel? Door een identificering met m'n soort? Nee...dat is het niet. Het komt omdat...omdat...de mens iets anders is dan mij. Het is niet iets dat mij aanbelangt. Het is een instantie geworden die me transcendeert, die keuzes zou maken in mijn naam. Een soort nominalisme dat me wil helpen door dingen te doen die ons als mens(heid) vooruithelpen, ons vrijheid geven van de natuur. Maar dit nominalisme begint precies tegen mijn eigen wil in te gaan. Het begint mij te controleren in zijn queeste om de natuur te controleren. In de mens zijn zoektocht naar vrijheid, begin ik precies wat vrijheid kwijt te raken. Ik word gedwongen tot vrijheid. Uiteindelijk verbaast het me dat we nog zo'n geloof in de vrijheid hebben.
Wat zal ik betekenen voor de filosofie? In feite bevat deze vraag 2 delen: 1) Heb ik genoeg vernieuwend inzicht in deze wereld om iets van waarde te kunnen toevoegen aan de filosofie? 2) Zal mijn inzicht aanslaan? Er is een reden dat ik godvergeten en god vergeten zei. Godvergeten omdat, laten we eerlijk zijn, buiten de filosofie heb je niet veel kans om naam te maken als filosoof. Dan...god vergeten...zijn we god vergeten? Ik bedoel dan niet de idee 'God', want dat kennen we nog van het Christendom, het Jodendom en de Islam. Hell, we zitten vast in een monotheïstisch paradgima als je het mij vraagt. Maar zijn we niet vergeten hoe het is om te steunen op iets dat ik niet vat, dat buiten mij ligt, waar ik niet mee kan communiceren? Zijn we vergeten wat het is om te geloven in iets dat je nooit kan zien, dat je nooit kan bevestigen? Als dat wel zo is, waar steun ik dan op? Op wat kan ik nog steunen? Iets van deze wereld...oké, ik zal steunen op de ander...op de ander...Levinas kruipt weer op...Ik ken de ander niet. Hij is iets anders, iets dat mij te buiten gaat en dat fundamenteel doet. Maar als ik niet kan steunen op een algoede god, waarom zou ik dan steunen op een onvolmaakte ander? omdat ik met hem kan praten? Is dat het? Ik moet aannemen dat hij het goed met mij voorheeft en hem vertrouwen op zijn woord...het geloof in iets buiten deze wereld is verdwenen en lijkt me zo meer en meer het geloof in al wat buiten mij zit weg te nemen. Dus...wat als mijn inzicht dan net een dergelijke klassieke metafysica is? Dat ik weer iets buiten ons wil zetten? Zullen mensen een herbronning vinden of zal ik godvergeten en mensvergeten ten ondergaan als één van de kleine implicietelingen?
Het tegenwoordig standaardantwoord op de eerste vraag is: is er niet, heb gewoon plezier. Ik ga eerlijk zijn: dat kan ik niet. Ik kan niet zulke vrijheid aan en ik zie ook niet in hoe zo'n vrijheid kan volgehouden worden. Onze aandacht wordt steeds maar geleid door vrijheid, zoveel mogelijkheid voor zoveel mogelijk mensen. Maar we gaan verder en verder, geen oog werpend op de tegenhanger van vrijheid: verantwoordelijkheid. We strijden voor steeds meer vrijheid, maar missen vaak de verantwoordelijkheid die meekomt met die vrijheid. We zijn vrij in onze seksualiteit, maar vergeten een beetje de verantwoordelijkheid die we hebben om het alles een plaats te geven. Het is natuurlijk waar dat we meer en meer oog beginnen krijgen voor de gevolgen van onze vrijheid: de ecologische problematiek wordt besproken en aangepakt, we zien dat we zorg moeten dragen voor de economisch minderbedeelden. Maar dit worden verantwoordelijkheden van de staat, niet van ons. We willen vrij zijn van beperkingen die onze levensstijl aanpassen. De problemen zijn zaken van de staat. Maar weet je, NEE! We zijn allemaal vrij en we zijn allemaal verantwoordelijk. Tijd dat we eens stoppen te zeggen dat we niets kunnen doen! De staat kan helpen, maar het probleem stamt evengoed van ons en misschien moeten we maar eens accepteren dat een compleet liberalisme niet zo goed voor ons is als we denken. We moeten eens nadenken over hoeveel vrijheid we nodig hebben en wanneer we teveel hebben.
Wat ga ik met mijn leven doen? De Onbewogen Beweger moge het weten. Je hebt inderdaad het idee dat je keuzes maakt en dat is ook zo. Ik heb gekozen om filosofie te gaan studeren, tegen financieel en werkzekerheidgewijs advies in. Ben ik trots op die keuze? Trots over zo'n dingen is voor mensen die zich eerst gebonden hebben gevoeld aan het advies erover. Heb ik me dan niets aangetrokken van dat advies? Natuurlijk wel, ik denk ook wel na over m'n keuzes. Maar ik stond op m'n keuze en op m'n vrijheid en heb gekozen. Sartre heeft gezegd dat als je een ethische keuze maakt, dat je ze dan met heel je zelf te maken. Ik weet niet of dat wel zo is. Er zijn niet veel dingen waar je zowel rationeel als emotioneel in kunt opgaan. Liefde is een wonder en acht ik van nature goed, maar het is 1. zinverbijstering 2. iets waaruit we soms moeten ontsnappen en dat is vaak iets dat moet komen door een reflectie over onze emotie. De mens heeft de wonderlijke eigenschap van zijn eigen te kunnen contradicteren. Zoals we keuzes kunnen maken met ons hart en met ons verstand, kunnen we ook die keuzes aanpassen vanuit deze twee "principes". De mens geniet het voordeel van twee bronnen van gedachten te hebben, maar ze kunnen allebei even schadelijk zijn. We zitten dus al meteen in een conflict met onszelf. We zullen vaak een keuze maken vanuit één bron en dat ervaren we dan als vrijheid, maar de ander kan tegenwerken en daar zit er al een grens aan de vrijheid. Ook de tijd past onze vrijheid aan. De keuze die gemaakt wordt, wordt anders ervaren wanneer er wat tijd voorbijgegaan is. Er komt een nieuwe keuze en we gaan dus weer onszelf aanpassen. Maar...is dat wat ik moet verstaan onder vrijheid? Het herhaaldelijk kunnen kiezen vanuit een gedachtebron die misschien wordt tegengesproken door een andere? Ik kan zelfs niet iets kiezen en daar m'n levenlang voor kiezen? Je kunt het natuurlijk zien als een vrijheid om niet heel je leven hetzelfde te doen, maar...ik wil m'n leven lang lief hebben, m'n leven lang gelukkig zijn, een job vinden die ik m'n leven lang wil doen...een job vinden die ik m'n leven lang wil doen...een job vinden...Ik kan in godsnaam zelfs niet een job kiezen. Ik moet ze godverdomme nog vinden ook. Ik moet in de gemeenschap waar ik leef iets vinden dat zij me aanbied als geldwinst en dan moet ik maar proberen iets te vinden dat me genoeg aanstaat om me niet te laten sterven als een perfect functionerende, doodgestresseerde hersendode zak vlees. Kan ik niet m'n eigen job creëren in plaats van een invulling te moeten geven aan één van de opties die me gegeven wordt? Is dat mijn vrijheid? Het invullen van een kader? Maar misschien ga ik nu wat te ver. Ik ben heus vrij, ik mag tenslotte men job kiezen. Goed dus ik heb jobvrijheid en ik mag veranderen als het me dan toch niet aanstaat. Prachtig. M'n zin mag ik ook zelf kiezen. M'n eigen doel, m'n eigen onderhoud. Want ik moet mezelf natuurlijk onderhouden. Eten kopen, kleren hebben, warmte voorzien...ok, dus ik ben niet vrij van mijn fysiologische benodigdheden. Of van m'n hormonen anders kon m'n hart niet kiezen...maar dat zal wel het enige zijn waar ik in m'n natuur afhankelijk van ben...het naturalisme zegt van niet...het sociobiologisch determinisme zegt ook van niet...Maar ik heb controle over m'n eigen natuur. Perfectibilité volop. De rede zal me vervolmaken...de rede zal me vervolmaken...klinkte als een kille schreeuw in een leegte van wantrouwen...Hebben Schopenhauer, Freud en Nietzsche ons dan niets geleerd? Baas in eigen geestelijke huis? Tzal ni waar zijn. Vrijheid van het onbekende in de geest...wat is dat nu voor een vrijheid? Maar ik kan er tegenin gaan. Ik kan het controleren. Ik maak vrije keuzes! Ik controleer de natuur. In m'n bakstene huis, onder m'n dikke jas en met het geteelde voedsel op m'n bord. Prachtig toch die vrijheid, gebracht door de wetenschap. De wetenschap zal me vrijheid geven. Ik zal een vrij leven leiden. In een wereld die door de mens wordt bepaald...door de mens en door niets anders...waarom kan ik niet anders dan de mens zeggen? Door een soort van gemeenschapsgevoel? Door een identificering met m'n soort? Nee...dat is het niet. Het komt omdat...omdat...de mens iets anders is dan mij. Het is niet iets dat mij aanbelangt. Het is een instantie geworden die me transcendeert, die keuzes zou maken in mijn naam. Een soort nominalisme dat me wil helpen door dingen te doen die ons als mens(heid) vooruithelpen, ons vrijheid geven van de natuur. Maar dit nominalisme begint precies tegen mijn eigen wil in te gaan. Het begint mij te controleren in zijn queeste om de natuur te controleren. In de mens zijn zoektocht naar vrijheid, begin ik precies wat vrijheid kwijt te raken. Ik word gedwongen tot vrijheid. Uiteindelijk verbaast het me dat we nog zo'n geloof in de vrijheid hebben.
Wat zal ik betekenen voor de filosofie? In feite bevat deze vraag 2 delen: 1) Heb ik genoeg vernieuwend inzicht in deze wereld om iets van waarde te kunnen toevoegen aan de filosofie? 2) Zal mijn inzicht aanslaan? Er is een reden dat ik godvergeten en god vergeten zei. Godvergeten omdat, laten we eerlijk zijn, buiten de filosofie heb je niet veel kans om naam te maken als filosoof. Dan...god vergeten...zijn we god vergeten? Ik bedoel dan niet de idee 'God', want dat kennen we nog van het Christendom, het Jodendom en de Islam. Hell, we zitten vast in een monotheïstisch paradgima als je het mij vraagt. Maar zijn we niet vergeten hoe het is om te steunen op iets dat ik niet vat, dat buiten mij ligt, waar ik niet mee kan communiceren? Zijn we vergeten wat het is om te geloven in iets dat je nooit kan zien, dat je nooit kan bevestigen? Als dat wel zo is, waar steun ik dan op? Op wat kan ik nog steunen? Iets van deze wereld...oké, ik zal steunen op de ander...op de ander...Levinas kruipt weer op...Ik ken de ander niet. Hij is iets anders, iets dat mij te buiten gaat en dat fundamenteel doet. Maar als ik niet kan steunen op een algoede god, waarom zou ik dan steunen op een onvolmaakte ander? omdat ik met hem kan praten? Is dat het? Ik moet aannemen dat hij het goed met mij voorheeft en hem vertrouwen op zijn woord...het geloof in iets buiten deze wereld is verdwenen en lijkt me zo meer en meer het geloof in al wat buiten mij zit weg te nemen. Dus...wat als mijn inzicht dan net een dergelijke klassieke metafysica is? Dat ik weer iets buiten ons wil zetten? Zullen mensen een herbronning vinden of zal ik godvergeten en mensvergeten ten ondergaan als één van de kleine implicietelingen?
Picadilly Notebook Entry #15
-geen datum- Het wiel blijft draaien
Nieuwe lessen, nieuwe proffen, nieuw academiejaar en toch bekruipt me een gevoel van herhaling. Erger nog is dat het in mijn denken geen geheel ongerechtvaardigd gevoel is. De achtergrond verandert niet zo vaak of toch niet op een manier die een sterke invloed heeft op onze beleving. De mens kan zich niet bezighouden met de dagdagelijkse beslommeringen van het verleden (“Who wants yesterdays paper?”) en hoe vaak beleeft de de doorsnee-mens iets werkelijk spectaculairs of tragisch in deze wereld? En er is dan ook nog de kans dat we in een routine belanden die ons voor verandering afstompt of de invloed van een reeds gebeurde verandering terugdringt of zelfs ongedaan maakt. Maar misschien is er nog een ergere situatie: Wat als verandering de routine wordt?
Wat als de mens houvast weigert of niet in staat is houvast te accepteren? Wat als stilstand bevreemdend is en zelfs negatief wordt beoordeeld? Wat als het steeds nieuw is, steeds anders, steeds jong en onervaren? Waar ligt de (ziele)rust die de mens nodig heeft?
Een eindeloze indeterminatie, los van voorafgaandheid of toekomst, die ons drijft naar een existentieel niemandsland, een niemandsland omdat er niemand is geweest en dus nagenoeg onherbergzaam is voor het individu dat een houvast zou moeten creëren, een wereld zou moeten bouwen.
Nieuwe lessen, nieuwe proffen, nieuw academiejaar en toch bekruipt me een gevoel van herhaling. Erger nog is dat het in mijn denken geen geheel ongerechtvaardigd gevoel is. De achtergrond verandert niet zo vaak of toch niet op een manier die een sterke invloed heeft op onze beleving. De mens kan zich niet bezighouden met de dagdagelijkse beslommeringen van het verleden (“Who wants yesterdays paper?”) en hoe vaak beleeft de de doorsnee-mens iets werkelijk spectaculairs of tragisch in deze wereld? En er is dan ook nog de kans dat we in een routine belanden die ons voor verandering afstompt of de invloed van een reeds gebeurde verandering terugdringt of zelfs ongedaan maakt. Maar misschien is er nog een ergere situatie: Wat als verandering de routine wordt?
Wat als de mens houvast weigert of niet in staat is houvast te accepteren? Wat als stilstand bevreemdend is en zelfs negatief wordt beoordeeld? Wat als het steeds nieuw is, steeds anders, steeds jong en onervaren? Waar ligt de (ziele)rust die de mens nodig heeft?
Een eindeloze indeterminatie, los van voorafgaandheid of toekomst, die ons drijft naar een existentieel niemandsland, een niemandsland omdat er niemand is geweest en dus nagenoeg onherbergzaam is voor het individu dat een houvast zou moeten creëren, een wereld zou moeten bouwen.
zondag 4 september 2011
Café Moeskop
Een terras halfvol, vergezeld door de gekleurde sterren, voor ons naar beneden gehaald en in lampjes gestopt. De avond is warm op de Zurenborg en de Dageraadplaats mag haar naam nog lang schaamte aandoen.
Binnen klinkt de Franstalige pop van vervlogen tijden, terwijl de verpleegsters van de bar hun patiënten bedienen en luisteren naar waar het hart van vol is, maar waar de mond slechts van overloopt, als de rest met drank gevuld is.
Een oude vrouw leest bij het schijnsel van de glazen luster door een glas witte wijn. Of ze bij iemand thuiskomt of dat haar weduwnaar op haar wacht is een kwestie van gissen, maar ze heeft nog talloze bladzijden te gaan en de nacht is jonger dan dat zij ooit zal zijn.
Bij de flauw verlichte witte roos rust de wereld tussen een man en een vrouw, geliefden in mijn ogen, maar schijn kan bedriegen. Ze breken de stilte die slechts tussen hun twee bestaat, want buiten hen is het geruis van het niets.
En bij de opengebroken muur tussen de dageraad en de Moeskop spreekt het vijftal over alle kleine dingen en wat er in de Zurenborgkrant werd verteld. 3+2= vriendschap en liefde na het uur van vrij volume.
En bij de denkende dood, in belaste pakjes verkocht, de zonde van de barzusters, schrijft de decoratieve drinker in stilte, slechts ontsnappend van zijn plek aan de muur om zijn drank te kopen, om daarna in stilte de eenzaamheid weer op te zoeken, want zijn bladspiegel roept en hoewel de pen zijn hand verbrandt en verwondt, rest er hem niets dan de overpeinzing van zijn eigen bestaan, in wassen schijnsel neergepend voor de wereld om niet te zien.
donderdag 14 juli 2011
Picadilly Notebook Entry #14
23/05/2011 Filosofie en theater
Filosofie is van de slimme zwaarmoedigen, het leven voor hen die erover heen raken en het theater van hen die de farce van het leven willen aantonen. Het leven kent geen van, enkel een voor. Niemand bezit zijn leven, maar het wordt aan ieder van ons gegeven met onze ondergang als onderpand. Het leven is onmiskenbaar onderhevig aan de tijd en zodoende een verschijnsel buiten onze macht. Ons leven speelt zich voor ons af als een wisseling van personages op een wereld van genesis en erosie met (een minimum aan) persoonlijke inspraak. (FYI, ik ben bitter, hence de agressie.) (Ook FYI, welkom op mijn dak.) Zoals ik al reeds heb vermeld in mijn prachtige,puberale punk-redevoering over vrijheid vanuit het perspectief van iemand die nog nooit een echte job of een echte plaats in ons maatschappelijk systeem heeft ingenomen, maar als een braaf, verwend kind van de middenklasse gretig gebruik maakt van het hallucinante aanbod kansen dat zijn ouders en stiefouders hem bieden. => terug naar m'n onderwerp: zoals ik reeds vermeld heb, twijfel ik tussen filosofie en drama. Dit lijkt mij een keuze tussen 2 vormen van waarheid, 2 manieren om ze te vinden en 2 manieren van verkondigen.
De waarheid van de filosofie kent universaliteit doordat ze de oppervlakte opheft en naar een onderliggend systeem zoekt dat ons draagt en drijft. Om deze universaliteit te bereiken moet de filosofie zich ontdoen van concreetheid. De oppervlakte wordt bedrieglijk door haar gebrek aan zelfbewustzijn en doordachtheid.
De waarheid van theater vertrekt van het universele dat al in de oppervlakte aanwezig is, zaken die we slechts kennen in hun concreet zijn en zodoende onvatbaar zijn voor filosofie. Ze toont ons deze waarheden en door de afstand die wordt gecreëerd, een afstand die slechts heel moeilijk te scheppen is in het dagelijks leven, kunnen we die ervaring die ons op het eerste zicht particulier toeschijnt in haar universeel karakter appreciëren en zodoende diens overeenkomst met ons eigen leven.
Filosofie biedt kennis over ons leven en diens plaatsing in het denken en het universum.
Filosofie zoekt waarheid door een (niet altijd geslaagde) opheffing van emoties om een rede(n) te vinden.
Theater biedt kennis over ons leven en diens plaatsing in het leven van anderen en de emotionaliteit.
Theater zoekt de rede(n) van onze emoties door ze in geconcentreerde vorm te genieten. Door ze ten top te drijven, wordt hun oorzaak en hun gevolg voldoende uitvergroot om (h)erkend te kunnen worden.
Dan het laatste verschil: het verschil in verkondiging. Buiten de nogal overduidelijke verschillen in presentatie, is er een dieper verschil waarin de waarheden worden mede gedeeld. Het is een terminologisch en dus ook connotatief verschil. Filosofisch taalgebruik is een heel rationeel taalgebruik, met vaak een jargon om u tegen te zeggen. Het is ontworpen om misverstanden te vermijden, op te helderen en to the point die zich aan “zuiver” denken opdringt, maar zodoende
haar eigen kwetsbaarheid toont. Want ze tracht duidelijk te zijn, maar kan niet ontsnappen aan de onvermijdelijke onduidelijkheid van de taal en haar gebruik, een onduidelijkheid die inherent is aan reflectie, want het is nu eenmaal onmogelijk om een object exact te representeren, ook als is dit een mentaal object. Een ander nadeel is dat het filosofisch taalgebruik de koelheid van de ratio en het analytisch denken met zich meedraagt (2 zaken waar ik een vrij paradoxale relatie mee heb).
Er zijn al veel pogingen gedaan om taal te “regulariseren” of te beïnvloeden en hoewel ik de voordelen voor communicatie niet in twijfel ga trekken, heb ik bezwaar bij deze pogingen: het Frans van de Académie Française en ons eigen beetje AN zijn dode talen. Ze leven niet in de zin dat ze haast geen weerklank vinden in het dagelijkse leven. Ze missen de connotatie van een dialect, dat altijd meer in de wereld gevestigd en of “taalbewerkers” en taalpuristen het nu accepteren of niet, een groot deel van onze communicatie gebeurt nu net via de connotatie van het dialect, wat vaak de bron van aanvulling en vernieuwing is voor taal.
En hier komen we op een tweede kapitaal verschil (ja, ik heb het eerste niet vermeld). De kunstenaar die zich bedient van het woord (dichters, schrijvers, acteurs) spelen met en zijn haast afhankelijk van connotatie (en voor bepaalde situaties connotatieloosheid). Het is gevaarlijk om in een “algemene” en dus vrij “dode” taal je emotioneel en connotatief geladen boodschap over te brengen. Ik ga niet zeggen dat je in dialect moet schrijven, maar je moet aanvaarden dat sommige zaken beter worden uitgedrukt in het dialect, omdat daar vaak nog connotatie aan is verbonden , los van de definitie van het woord. Dat kan een vitale connotatie zijn voor de boodschap die de kunstenaar wilt overbrengen.
Het eerste fundamentele verschil is dat van het beogen van duidelijkheid. De kunstenaar moet aanvaarden dat hij zijn object niet perfect kan representeren of uitleggen. Hij moet werken met vergelijkingen, voorbeelden, connotatie en de inherente onvolledigheid van de taal om te refereren naar het mysterie en de ervaring die hij ons wilt tonen. Hier ligt de zwakte van kunst. Haar verering van het onvat- en onbeschrijfbare, waardoor ze nooit haar doel kan bereiken. De grote vraag ivm mijn studiekeuze is nu welke waarheid ik wil nastreven.
Filosofie is van de slimme zwaarmoedigen, het leven voor hen die erover heen raken en het theater van hen die de farce van het leven willen aantonen. Het leven kent geen van, enkel een voor. Niemand bezit zijn leven, maar het wordt aan ieder van ons gegeven met onze ondergang als onderpand. Het leven is onmiskenbaar onderhevig aan de tijd en zodoende een verschijnsel buiten onze macht. Ons leven speelt zich voor ons af als een wisseling van personages op een wereld van genesis en erosie met (een minimum aan) persoonlijke inspraak. (FYI, ik ben bitter, hence de agressie.) (Ook FYI, welkom op mijn dak.) Zoals ik al reeds heb vermeld in mijn prachtige,puberale punk-redevoering over vrijheid vanuit het perspectief van iemand die nog nooit een echte job of een echte plaats in ons maatschappelijk systeem heeft ingenomen, maar als een braaf, verwend kind van de middenklasse gretig gebruik maakt van het hallucinante aanbod kansen dat zijn ouders en stiefouders hem bieden. => terug naar m'n onderwerp: zoals ik reeds vermeld heb, twijfel ik tussen filosofie en drama. Dit lijkt mij een keuze tussen 2 vormen van waarheid, 2 manieren om ze te vinden en 2 manieren van verkondigen.
De waarheid van de filosofie kent universaliteit doordat ze de oppervlakte opheft en naar een onderliggend systeem zoekt dat ons draagt en drijft. Om deze universaliteit te bereiken moet de filosofie zich ontdoen van concreetheid. De oppervlakte wordt bedrieglijk door haar gebrek aan zelfbewustzijn en doordachtheid.
De waarheid van theater vertrekt van het universele dat al in de oppervlakte aanwezig is, zaken die we slechts kennen in hun concreet zijn en zodoende onvatbaar zijn voor filosofie. Ze toont ons deze waarheden en door de afstand die wordt gecreëerd, een afstand die slechts heel moeilijk te scheppen is in het dagelijks leven, kunnen we die ervaring die ons op het eerste zicht particulier toeschijnt in haar universeel karakter appreciëren en zodoende diens overeenkomst met ons eigen leven.
Filosofie biedt kennis over ons leven en diens plaatsing in het denken en het universum.
Filosofie zoekt waarheid door een (niet altijd geslaagde) opheffing van emoties om een rede(n) te vinden.
Theater biedt kennis over ons leven en diens plaatsing in het leven van anderen en de emotionaliteit.
Theater zoekt de rede(n) van onze emoties door ze in geconcentreerde vorm te genieten. Door ze ten top te drijven, wordt hun oorzaak en hun gevolg voldoende uitvergroot om (h)erkend te kunnen worden.
Dan het laatste verschil: het verschil in verkondiging. Buiten de nogal overduidelijke verschillen in presentatie, is er een dieper verschil waarin de waarheden worden mede gedeeld. Het is een terminologisch en dus ook connotatief verschil. Filosofisch taalgebruik is een heel rationeel taalgebruik, met vaak een jargon om u tegen te zeggen. Het is ontworpen om misverstanden te vermijden, op te helderen en to the point die zich aan “zuiver” denken opdringt, maar zodoende
haar eigen kwetsbaarheid toont. Want ze tracht duidelijk te zijn, maar kan niet ontsnappen aan de onvermijdelijke onduidelijkheid van de taal en haar gebruik, een onduidelijkheid die inherent is aan reflectie, want het is nu eenmaal onmogelijk om een object exact te representeren, ook als is dit een mentaal object. Een ander nadeel is dat het filosofisch taalgebruik de koelheid van de ratio en het analytisch denken met zich meedraagt (2 zaken waar ik een vrij paradoxale relatie mee heb).
Er zijn al veel pogingen gedaan om taal te “regulariseren” of te beïnvloeden en hoewel ik de voordelen voor communicatie niet in twijfel ga trekken, heb ik bezwaar bij deze pogingen: het Frans van de Académie Française en ons eigen beetje AN zijn dode talen. Ze leven niet in de zin dat ze haast geen weerklank vinden in het dagelijkse leven. Ze missen de connotatie van een dialect, dat altijd meer in de wereld gevestigd en of “taalbewerkers” en taalpuristen het nu accepteren of niet, een groot deel van onze communicatie gebeurt nu net via de connotatie van het dialect, wat vaak de bron van aanvulling en vernieuwing is voor taal.
En hier komen we op een tweede kapitaal verschil (ja, ik heb het eerste niet vermeld). De kunstenaar die zich bedient van het woord (dichters, schrijvers, acteurs) spelen met en zijn haast afhankelijk van connotatie (en voor bepaalde situaties connotatieloosheid). Het is gevaarlijk om in een “algemene” en dus vrij “dode” taal je emotioneel en connotatief geladen boodschap over te brengen. Ik ga niet zeggen dat je in dialect moet schrijven, maar je moet aanvaarden dat sommige zaken beter worden uitgedrukt in het dialect, omdat daar vaak nog connotatie aan is verbonden , los van de definitie van het woord. Dat kan een vitale connotatie zijn voor de boodschap die de kunstenaar wilt overbrengen.
Het eerste fundamentele verschil is dat van het beogen van duidelijkheid. De kunstenaar moet aanvaarden dat hij zijn object niet perfect kan representeren of uitleggen. Hij moet werken met vergelijkingen, voorbeelden, connotatie en de inherente onvolledigheid van de taal om te refereren naar het mysterie en de ervaring die hij ons wilt tonen. Hier ligt de zwakte van kunst. Haar verering van het onvat- en onbeschrijfbare, waardoor ze nooit haar doel kan bereiken. De grote vraag ivm mijn studiekeuze is nu welke waarheid ik wil nastreven.
woensdag 15 juni 2011
One fell into the cuckoo's nest
The immaculate conception of a world within me
Beyond my comprehension and my reason
As it conquers all of my senses
With the force and brutality of a pathological Genghis Khan.
Almost biologically destined, but certainly genetically inclined
To be the black sheep on an ever-changing field
As the cerebral shepherd loses his way and lets the wolves in
More lost and incapable, than fleeing from reality or duty.
The unwanted and unwished Messiah
Son and plaything of the God of hallucination and fear
Begging for salvation from this surreal existence,
But salvation is found when the world stops spinning
And reason lays it to rest.
Hearing the voices of forlorn generations
Though the world outside stays silent
Demands of violence in name of purity and preservation
While the guile becomes resistant to water and soap.
This bizarro Wonderland that has formed itself
In the world my mind has created on its own
It lives unconnected with what is,
And believes in what it fears can be
Constituting the reason to its madness
A self-fulfilling prophecy of misinterpreting paranoia.
But there has been found help
In drug-induced normality
And chemical rationality
Influencing myself,
Changing the inner workings
Of that which determines
My being and my personality
Estranging myself from my body
In an attempt to win back that
Which sets man apart from animal
And the final goal of all that is ethical
The rational of man,
The source of its autonomy,
The victim of a power beyond my control
Though imbedded in my brain.
Freed from fear and nefarious psychedelic imagining
I live a life of ever-temporal sanity, made possible by the unnatural
In control of what I am and what afflicts me,
By affecting it with substances originally unknown
But necessary for a life among the people,
Whose existence is certain, but whose mindset is determined by who is lord of my cranial house, And by medicinal drug use, my mind can accept them as those loved and loving.
Beyond my comprehension and my reason
As it conquers all of my senses
With the force and brutality of a pathological Genghis Khan.
Almost biologically destined, but certainly genetically inclined
To be the black sheep on an ever-changing field
As the cerebral shepherd loses his way and lets the wolves in
More lost and incapable, than fleeing from reality or duty.
The unwanted and unwished Messiah
Son and plaything of the God of hallucination and fear
Begging for salvation from this surreal existence,
But salvation is found when the world stops spinning
And reason lays it to rest.
Hearing the voices of forlorn generations
Though the world outside stays silent
Demands of violence in name of purity and preservation
While the guile becomes resistant to water and soap.
This bizarro Wonderland that has formed itself
In the world my mind has created on its own
It lives unconnected with what is,
And believes in what it fears can be
Constituting the reason to its madness
A self-fulfilling prophecy of misinterpreting paranoia.
But there has been found help
In drug-induced normality
And chemical rationality
Influencing myself,
Changing the inner workings
Of that which determines
My being and my personality
Estranging myself from my body
In an attempt to win back that
Which sets man apart from animal
And the final goal of all that is ethical
The rational of man,
The source of its autonomy,
The victim of a power beyond my control
Though imbedded in my brain.
Freed from fear and nefarious psychedelic imagining
I live a life of ever-temporal sanity, made possible by the unnatural
In control of what I am and what afflicts me,
By affecting it with substances originally unknown
But necessary for a life among the people,
Whose existence is certain, but whose mindset is determined by who is lord of my cranial house, And by medicinal drug use, my mind can accept them as those loved and loving.
vrijdag 3 juni 2011
Vrijheid, filosofie en drama
Ik heb geen idee wat dit wordt, geen idee wat het onderwerp zal zijn en of het een echte conclusie zal worden. In een zekere zin is dat de visie die ik momenteel heb op mijn toekomst (een idee dat ik al heb ontkracht met een vriendin). Ik heb vandaag geleerd voor Historisch Overzicht. De filosofie van de moderne tijd in een notendop en het opmerken van de zinsvraag die langzaamaan haar legitieme oplossingen en haar publiek kwijtraakt, of toch in de systemen. En nu, nu ik moe ben en mentaal uitgeput. Nu rest er nog net die vragen die ik steeds minder bevredigd tegenkom in mijn cursus. Wat is de zin en wat zal ik met mijn leven doen? Wat zal ik betekenen voor deze godvergeten en god vergeten branche van onze maatschappij?
Het tegenwoordig standaardantwoord op de eerste vraag is: is er niet, heb gewoon plezier. Ik ga eerlijk zijn: dat kan ik niet. Ik kan niet zulke vrijheid aan en ik zie ook niet in hoe zo'n vrijheid kan volgehouden worden. Onze aandacht wordt steeds maar geleid door vrijheid, zoveel mogelijkheid voor zoveel mogelijk mensen. Maar we gaan verder en verder, geen oog werpend op de tegenhanger van vrijheid: verantwoordelijkheid. We strijden voor steeds meer vrijheid, maar missen vaak de verantwoordelijkheid die meekomt met die vrijheid. We zijn vrij in onze seksualiteit, maar vergeten een beetje de verantwoordelijkheid die we hebben om het alles een plaats te geven. Het is natuurlijk waar dat we meer en meer oog beginnen krijgen voor de gevolgen van onze vrijheid: de ecologische problematiek wordt besproken en aangepakt, we zien dat we zorg moeten dragen voor de economisch minderbedeelden. Maar dit worden verantwoordelijkheden van de staat, niet van ons. We willen vrij zijn van beperkingen die onze levensstijl aanpassen. De problemen zijn zaken van de staat. Maar weet je, NEE! We zijn allemaal vrij en we zijn allemaal verantwoordelijk. Tijd dat we eens stoppen te zeggen dat we niets kunnen doen! De staat kan helpen, maar het probleem stamt evengoed van ons en misschien moeten we maar eens accepteren dat een compleet liberalisme niet zo goed voor ons is als we denken. We moeten eens nadenken over hoeveel vrijheid we nodig hebben en wanneer we teveel hebben.
Wat ga ik met mijn leven doen? De Onbewogen Beweger moge het weten. Je hebt inderdaad het idee dat je keuzes maakt en dat is ook zo. Ik heb gekozen om filosofie te gaan studeren, tegen financieel en werkzekerheidgewijs advies in. Ben ik trots op die keuze? Trots over zo'n dingen is voor mensen die zich eerst gebonden hebben gevoeld aan het advies erover. Heb ik me dan niets aangetrokken van dat advies? Natuurlijk wel, ik denk ook wel na over m'n keuzes. Maar ik stond op m'n keuze en op m'n vrijheid en heb gekozen. Sartre heeft gezegd dat als je een ethische keuze maakt, dat je ze dan met heel je zelf moet maken. Ik weet niet of dat wel zo is. Er zijn niet veel dingen waar je zowel rationeel als emotioneel in kunt opgaan. Liefde is een wonder en acht ik van nature goed, maar het is 1. zinverbijstering 2. iets waaruit we soms moeten ontsnappen en dat is vaak iets dat moet komen door een reflectie over onze emoties. De mens heeft de wonderlijke eigenschap van zijn eigen te kunnen contradicteren. Zoals we keuzes kunnen maken met ons hart en met ons verstand, kunnen we ook die keuzes aanpassen vanuit deze twee "principes". De mens geniet het voordeel van twee bronnen van gedachten te hebben, maar ze kunnen allebei even schadelijk zijn. We zitten dus al meteen in een conflict met onszelf. We zullen vaak een keuze maken vanuit één bron en dat ervaren we dan als vrijheid, maar de ander kan tegenwerken en daar zit er al een grens aan de vrijheid. Ook de tijd past onze vrijheid aan. De keuze die gemaakt wordt, wordt anders ervaren wanneer er wat tijd voorbijgegaan is. Er komt een nieuwe keuze en we gaan dus weer onszelf aanpassen. Maar...is dat wat ik moet verstaan onder vrijheid? Het herhaaldelijk kunnen kiezen vanuit een gedachtebron die misschien wordt tegengesproken door een andere? Ik kan zelfs niet iets kiezen en daar m'n leven lang voor kiezen? Je kunt het natuurlijk zien als een vrijheid om niet heel je leven hetzelfde te doen, maar...ik wil m'n leven lang lief hebben, m'n leven lang gelukkig zijn, een job vinden die ik m'n leven lang wil doen...een job vinden die ik m'n leven lang wil doen...een job vinden...Ik kan in godsnaam zelfs niet een job kiezen. Ik moet ze godverdomme nog vinden ook. Ik moet in de gemeenschap waar ik leef iets zoeken tussen alle dingen dat zij als geldwinst aanbiedt en dan moet ik maar proberen iets te vinden dat me genoeg aanstaat om me niet te laten sterven als een perfect functionerende, doodgestresseerde hersendode zak vlees. Kan ik niet m'n eigen job creëren in plaats van een invulling te moeten geven aan één van de opties die me gegeven wordt? Is dat mijn vrijheid? Het invullen van een kader? Maar misschien ga ik nu wat te ver. Ik ben heus vrij, ik mag tenslotte men job kiezen. Goed dus ik heb jobvrijheid en ik mag veranderen als het me dan toch niet aanstaat. Prachtig. M'n zin mag ik ook zelf kiezen. M'n eigen doel, m'n eigen onderhoud. Want ik moet mezelf natuurlijk onderhouden. Eten kopen, kleren hebben, warmte voorzien...ok, dus ik ben niet vrij van mijn fysiologische benodigdheden. Of van m'n hormonen anders kon m'n hart niet kiezen...maar dat zal wel het enige zijn waar ik in m'n natuur afhankelijk van ben...het naturalisme zegt van niet...het sociobiologisch determinisme zegt ook van niet...Maar ik heb controle over m'n eigen natuur. Perfectibilité volop. De rede zal me vervolmaken...de rede zal me vervolmaken...klinkt als een kille schreeuw in een leegte van wantrouwen...Hebben Schopenhauer, Freud en Nietzsche ons dan niets geleerd? Baas in eigen geestelijk huis? Tzal ni waar zijn. Vrijheid van het onbekende in de geest...wat is dat nu voor een vrijheid? Maar ik kan er tegenin gaan. Ik kan het controleren. Ik maak vrije keuzes! Ik controleer de natuur. In m'n bakstene huis, onder m'n dikke jas en met het geteelde voedsel op m'n bord. Prachtig toch die vrijheid, gebracht door de wetenschap. De wetenschap zal me vrijheid geven. Ik zal een vrij leven leiden. In een wereld die door de mens wordt bepaald...door de mens en door niets anders...waarom kan ik niet anders dan de mens zeggen? Door een soort van gemeenschapsgevoel? Door een identificering met m'n soort? Nee...dat is het niet. Het komt omdat...omdat...de mens iets anders is dan mij. Het is niet iets dat mij aanbelangt. Het is een instantie geworden die me transcendeert, die keuzes zou maken in mijn naam. Een soort nominalisme dat me wil helpen door dingen te doen die ons als mens(heid) vooruithelpen, ons vrijheid geven van de natuur. Maar dit nominalisme begint precies tegen mijn eigen wil in te gaan. Het begint mij te controleren in zijn queeste om de natuur te controleren. In de mens zijn zoektocht naar vrijheid, begin ik precies wat vrijheid kwijt te raken. Ik word gedwongen tot vrijheid. Uiteindelijk verbaast het me dat we nog zo'n geloof in de vrijheid hebben.
Wat zal ik betekenen voor de filosofie? In feite bevat deze vraag 2 delen: 1) Heb ik genoeg vernieuwend inzicht in deze wereld om iets van waarde te kunnen toevoegen aan de filosofie? 2) Zal mijn inzicht aanslaan? Er is een reden dat ik godvergeten en god vergeten zei. Godvergeten omdat, laten we eerlijk zijn, buiten de filosofie heb je niet veel kans om naam te maken als filosoof. Dan...god vergeten...zijn we god vergeten? Ik bedoel dan niet de idee 'God', want dat kennen we nog van het Christendom, het Jodendom en de Islam. Hell, we zitten vast in een monotheïstisch paradgima als je het mij vraagt. Maar zijn we niet vergeten hoe het is om te steunen op iets dat je niet vat, dat buiten je ligt, waar je niet mee kan communiceren? Zijn we vergeten wat het is om te geloven in iets dat je nooit kan zien, dat je nooit kan bevestigen? Als dat wel zo is, waar steun ik dan op? Op wat kan ik nog steunen? Iets van deze wereld...oké, ik zal steunen op de ander...op de ander...Levinas kruipt weer op...Ik ken de ander niet. Hij is iets anders, iets dat mij te buiten gaat en dat fundamenteel doet. Maar als ik niet kan steunen op een algoede god, waarom zou ik dan steunen op een onvolmaakte ander? Omdat ik met hem kan praten? Is dat het? Ik moet aannemen dat hij het goed met mij voorheeft en hem vertrouwen op zijn woord...Het geloof in iets buiten deze wereld is verdwenen en lijkt me zo meer en meer het geloof in al wat buiten mij zit weg te nemen. Dus...wat als mijn inzicht dan net een dergelijke klassieke metafysica is? Dat ik weer iets buiten ons wil zetten? Zullen mensen een herbronning vinden of zal ik godvergeten en mensvergeten ten ondergaan als één van de kleine implicietelingen? Maar misschien loop ik wat voor op mezelf. Misschien moet ik maar eerst eens mezelf vragen of ik überhaupt genoeg inzicht heb. Ja en nee. Ik ben een meester in de aforismen en de korte schetsen (iets wat een beetje typisch is voor het literair-poëtisch filosoferen. Alle schrijver-filosofen lijken dit te doen, van de Montaigne tot Nietzsche -niet dat ik me meteen met hen vergelijk-). Maar zelf een groot idee vormen? Ik denk niet dat zoiets me zal overkomen. Ik ben geen systeemdenker. Een systeem vind ik gewoon zo al te gesloten en zal altijd een aspect missen. Ik ben meer een praktisch filosoof, hoewel...Is het mogelijk om een praktisch filosoof te zijn, zonder eerst waarheid te zoeken? Een doel te geven? Als ik puur praktisch filosoof word, zal ik dan niet terugvallen in de zinloze vrijheid en ontwikkeling waar ik hierboven zo tegen ben uitgevlogen? Is het mogelijk om mensen te helpen in hun levenswandel, zonder hen een optie te geven wat de bestemming van die wandeling is? Kan ik een kaart geven zonder een stipje te zetten? En als ik geen doel kan aanduiden, wie zegt dat ik dan een stip kan zetten waarbij staat: “u bevindt zich hier”? Hier? Waar hier? Ja, op dit punt...maar euhm...bij welke lijn hoort dit punt? Dat mag ik zelf kiezen? Maar de reden dat ik een kaart vraag is omdat ik geen lijn heb, ik ken m'n route niet. Heb je geen voorstellen? Ah, je hebt geen aanraders...Welke volg jij? Je hebt er ook geen? Maar mag ik toch niet met jou mee? Ik moet m'n eigen route uitstippelen, daar hebben we voor gevochten, zeg je...Ik ben bang...
Ik hou niet van systemen, maar ze lijken haast onvermijdelijk...Misschien word ik wel een Bacon of een de Montaigne...een opstapje voor het volgende grote ding...de volgende grote vrijheid waar we achteraan lopen. We geloven allemaal in dit scepticisme, in die wisselgang van de waarheid. Er geldt een regel in de metafysica tegenwoordig: Kies je visie, kies je waarheid, kies je leugen. Ik vrees dat er tijden komen dat we hetzelfde devies dragen in de immanente wereld en ik vrees dat die tijden dichterbij zijn dan we denken.
De initiële reden van dit essay is het "simpele" concrete feit dat ik niet weet of ik filosofie moet blijven doen of dat ik drama moet proberen aan het conservatorium...
Het tegenwoordig standaardantwoord op de eerste vraag is: is er niet, heb gewoon plezier. Ik ga eerlijk zijn: dat kan ik niet. Ik kan niet zulke vrijheid aan en ik zie ook niet in hoe zo'n vrijheid kan volgehouden worden. Onze aandacht wordt steeds maar geleid door vrijheid, zoveel mogelijkheid voor zoveel mogelijk mensen. Maar we gaan verder en verder, geen oog werpend op de tegenhanger van vrijheid: verantwoordelijkheid. We strijden voor steeds meer vrijheid, maar missen vaak de verantwoordelijkheid die meekomt met die vrijheid. We zijn vrij in onze seksualiteit, maar vergeten een beetje de verantwoordelijkheid die we hebben om het alles een plaats te geven. Het is natuurlijk waar dat we meer en meer oog beginnen krijgen voor de gevolgen van onze vrijheid: de ecologische problematiek wordt besproken en aangepakt, we zien dat we zorg moeten dragen voor de economisch minderbedeelden. Maar dit worden verantwoordelijkheden van de staat, niet van ons. We willen vrij zijn van beperkingen die onze levensstijl aanpassen. De problemen zijn zaken van de staat. Maar weet je, NEE! We zijn allemaal vrij en we zijn allemaal verantwoordelijk. Tijd dat we eens stoppen te zeggen dat we niets kunnen doen! De staat kan helpen, maar het probleem stamt evengoed van ons en misschien moeten we maar eens accepteren dat een compleet liberalisme niet zo goed voor ons is als we denken. We moeten eens nadenken over hoeveel vrijheid we nodig hebben en wanneer we teveel hebben.
Wat ga ik met mijn leven doen? De Onbewogen Beweger moge het weten. Je hebt inderdaad het idee dat je keuzes maakt en dat is ook zo. Ik heb gekozen om filosofie te gaan studeren, tegen financieel en werkzekerheidgewijs advies in. Ben ik trots op die keuze? Trots over zo'n dingen is voor mensen die zich eerst gebonden hebben gevoeld aan het advies erover. Heb ik me dan niets aangetrokken van dat advies? Natuurlijk wel, ik denk ook wel na over m'n keuzes. Maar ik stond op m'n keuze en op m'n vrijheid en heb gekozen. Sartre heeft gezegd dat als je een ethische keuze maakt, dat je ze dan met heel je zelf moet maken. Ik weet niet of dat wel zo is. Er zijn niet veel dingen waar je zowel rationeel als emotioneel in kunt opgaan. Liefde is een wonder en acht ik van nature goed, maar het is 1. zinverbijstering 2. iets waaruit we soms moeten ontsnappen en dat is vaak iets dat moet komen door een reflectie over onze emoties. De mens heeft de wonderlijke eigenschap van zijn eigen te kunnen contradicteren. Zoals we keuzes kunnen maken met ons hart en met ons verstand, kunnen we ook die keuzes aanpassen vanuit deze twee "principes". De mens geniet het voordeel van twee bronnen van gedachten te hebben, maar ze kunnen allebei even schadelijk zijn. We zitten dus al meteen in een conflict met onszelf. We zullen vaak een keuze maken vanuit één bron en dat ervaren we dan als vrijheid, maar de ander kan tegenwerken en daar zit er al een grens aan de vrijheid. Ook de tijd past onze vrijheid aan. De keuze die gemaakt wordt, wordt anders ervaren wanneer er wat tijd voorbijgegaan is. Er komt een nieuwe keuze en we gaan dus weer onszelf aanpassen. Maar...is dat wat ik moet verstaan onder vrijheid? Het herhaaldelijk kunnen kiezen vanuit een gedachtebron die misschien wordt tegengesproken door een andere? Ik kan zelfs niet iets kiezen en daar m'n leven lang voor kiezen? Je kunt het natuurlijk zien als een vrijheid om niet heel je leven hetzelfde te doen, maar...ik wil m'n leven lang lief hebben, m'n leven lang gelukkig zijn, een job vinden die ik m'n leven lang wil doen...een job vinden die ik m'n leven lang wil doen...een job vinden...Ik kan in godsnaam zelfs niet een job kiezen. Ik moet ze godverdomme nog vinden ook. Ik moet in de gemeenschap waar ik leef iets zoeken tussen alle dingen dat zij als geldwinst aanbiedt en dan moet ik maar proberen iets te vinden dat me genoeg aanstaat om me niet te laten sterven als een perfect functionerende, doodgestresseerde hersendode zak vlees. Kan ik niet m'n eigen job creëren in plaats van een invulling te moeten geven aan één van de opties die me gegeven wordt? Is dat mijn vrijheid? Het invullen van een kader? Maar misschien ga ik nu wat te ver. Ik ben heus vrij, ik mag tenslotte men job kiezen. Goed dus ik heb jobvrijheid en ik mag veranderen als het me dan toch niet aanstaat. Prachtig. M'n zin mag ik ook zelf kiezen. M'n eigen doel, m'n eigen onderhoud. Want ik moet mezelf natuurlijk onderhouden. Eten kopen, kleren hebben, warmte voorzien...ok, dus ik ben niet vrij van mijn fysiologische benodigdheden. Of van m'n hormonen anders kon m'n hart niet kiezen...maar dat zal wel het enige zijn waar ik in m'n natuur afhankelijk van ben...het naturalisme zegt van niet...het sociobiologisch determinisme zegt ook van niet...Maar ik heb controle over m'n eigen natuur. Perfectibilité volop. De rede zal me vervolmaken...de rede zal me vervolmaken...klinkt als een kille schreeuw in een leegte van wantrouwen...Hebben Schopenhauer, Freud en Nietzsche ons dan niets geleerd? Baas in eigen geestelijk huis? Tzal ni waar zijn. Vrijheid van het onbekende in de geest...wat is dat nu voor een vrijheid? Maar ik kan er tegenin gaan. Ik kan het controleren. Ik maak vrije keuzes! Ik controleer de natuur. In m'n bakstene huis, onder m'n dikke jas en met het geteelde voedsel op m'n bord. Prachtig toch die vrijheid, gebracht door de wetenschap. De wetenschap zal me vrijheid geven. Ik zal een vrij leven leiden. In een wereld die door de mens wordt bepaald...door de mens en door niets anders...waarom kan ik niet anders dan de mens zeggen? Door een soort van gemeenschapsgevoel? Door een identificering met m'n soort? Nee...dat is het niet. Het komt omdat...omdat...de mens iets anders is dan mij. Het is niet iets dat mij aanbelangt. Het is een instantie geworden die me transcendeert, die keuzes zou maken in mijn naam. Een soort nominalisme dat me wil helpen door dingen te doen die ons als mens(heid) vooruithelpen, ons vrijheid geven van de natuur. Maar dit nominalisme begint precies tegen mijn eigen wil in te gaan. Het begint mij te controleren in zijn queeste om de natuur te controleren. In de mens zijn zoektocht naar vrijheid, begin ik precies wat vrijheid kwijt te raken. Ik word gedwongen tot vrijheid. Uiteindelijk verbaast het me dat we nog zo'n geloof in de vrijheid hebben.
Wat zal ik betekenen voor de filosofie? In feite bevat deze vraag 2 delen: 1) Heb ik genoeg vernieuwend inzicht in deze wereld om iets van waarde te kunnen toevoegen aan de filosofie? 2) Zal mijn inzicht aanslaan? Er is een reden dat ik godvergeten en god vergeten zei. Godvergeten omdat, laten we eerlijk zijn, buiten de filosofie heb je niet veel kans om naam te maken als filosoof. Dan...god vergeten...zijn we god vergeten? Ik bedoel dan niet de idee 'God', want dat kennen we nog van het Christendom, het Jodendom en de Islam. Hell, we zitten vast in een monotheïstisch paradgima als je het mij vraagt. Maar zijn we niet vergeten hoe het is om te steunen op iets dat je niet vat, dat buiten je ligt, waar je niet mee kan communiceren? Zijn we vergeten wat het is om te geloven in iets dat je nooit kan zien, dat je nooit kan bevestigen? Als dat wel zo is, waar steun ik dan op? Op wat kan ik nog steunen? Iets van deze wereld...oké, ik zal steunen op de ander...op de ander...Levinas kruipt weer op...Ik ken de ander niet. Hij is iets anders, iets dat mij te buiten gaat en dat fundamenteel doet. Maar als ik niet kan steunen op een algoede god, waarom zou ik dan steunen op een onvolmaakte ander? Omdat ik met hem kan praten? Is dat het? Ik moet aannemen dat hij het goed met mij voorheeft en hem vertrouwen op zijn woord...Het geloof in iets buiten deze wereld is verdwenen en lijkt me zo meer en meer het geloof in al wat buiten mij zit weg te nemen. Dus...wat als mijn inzicht dan net een dergelijke klassieke metafysica is? Dat ik weer iets buiten ons wil zetten? Zullen mensen een herbronning vinden of zal ik godvergeten en mensvergeten ten ondergaan als één van de kleine implicietelingen? Maar misschien loop ik wat voor op mezelf. Misschien moet ik maar eerst eens mezelf vragen of ik überhaupt genoeg inzicht heb. Ja en nee. Ik ben een meester in de aforismen en de korte schetsen (iets wat een beetje typisch is voor het literair-poëtisch filosoferen. Alle schrijver-filosofen lijken dit te doen, van de Montaigne tot Nietzsche -niet dat ik me meteen met hen vergelijk-). Maar zelf een groot idee vormen? Ik denk niet dat zoiets me zal overkomen. Ik ben geen systeemdenker. Een systeem vind ik gewoon zo al te gesloten en zal altijd een aspect missen. Ik ben meer een praktisch filosoof, hoewel...Is het mogelijk om een praktisch filosoof te zijn, zonder eerst waarheid te zoeken? Een doel te geven? Als ik puur praktisch filosoof word, zal ik dan niet terugvallen in de zinloze vrijheid en ontwikkeling waar ik hierboven zo tegen ben uitgevlogen? Is het mogelijk om mensen te helpen in hun levenswandel, zonder hen een optie te geven wat de bestemming van die wandeling is? Kan ik een kaart geven zonder een stipje te zetten? En als ik geen doel kan aanduiden, wie zegt dat ik dan een stip kan zetten waarbij staat: “u bevindt zich hier”? Hier? Waar hier? Ja, op dit punt...maar euhm...bij welke lijn hoort dit punt? Dat mag ik zelf kiezen? Maar de reden dat ik een kaart vraag is omdat ik geen lijn heb, ik ken m'n route niet. Heb je geen voorstellen? Ah, je hebt geen aanraders...Welke volg jij? Je hebt er ook geen? Maar mag ik toch niet met jou mee? Ik moet m'n eigen route uitstippelen, daar hebben we voor gevochten, zeg je...Ik ben bang...
Ik hou niet van systemen, maar ze lijken haast onvermijdelijk...Misschien word ik wel een Bacon of een de Montaigne...een opstapje voor het volgende grote ding...de volgende grote vrijheid waar we achteraan lopen. We geloven allemaal in dit scepticisme, in die wisselgang van de waarheid. Er geldt een regel in de metafysica tegenwoordig: Kies je visie, kies je waarheid, kies je leugen. Ik vrees dat er tijden komen dat we hetzelfde devies dragen in de immanente wereld en ik vrees dat die tijden dichterbij zijn dan we denken.
De initiële reden van dit essay is het "simpele" concrete feit dat ik niet weet of ik filosofie moet blijven doen of dat ik drama moet proberen aan het conservatorium...
zaterdag 28 mei 2011
In referentie
1 Een vrijgezel die gaat pas slapen
2 Als zijn geld op is of zijn dorst gestild
3 Een vrijgezel die gaat pas slapen
4 Als Benny hem van zijn strepen heeft gevild
5 De laatste middernachtzon als nachtlamp
6 Omdat hij bang is in het donker
7 De ratten en de vliegen zijn gevlucht met kramp
8 Want, godlief, het stonk er
9 Hij wilt zijn reddingsbootje aanlijnen
10 Maar niet zoals de vis zei, is de tijd oeverloos
11 En de vuurtoren begint te verdwijnen
12 Door de limonadeglazen vodka en Bulgaarse wijn in een doos
13 Maar sommigen zijn beter af zonder vrouw
14 Want die geven niets dan last
15 En Tom is die van hem al jaren trouw
16 Maar Frank stak zijn huis in de fik, het was een kast
17 Maar hey, Jude zei dat het niet zo erg was
18 En dat een lief wonderen doet
19 En als is ze misschien niet de mooiste van de klas
20 Je voelt je goed, zei Johan, je voelt je goed
21 Dus tijd om uit de grot te komen
22 En te zoeken naar een meisje, net en genereus
23 De leeuw heeft het nooit doen stomen
24 Maar ik heb de arbeiders van het lied nodig om haar te krijgen, dansen is geen keus
25 Nu heb ik alle hotels gezien van Chelsea tot California
26 Er lijkt geen liefde, enkel wanhoop wanneer ze dronken is
27 Bijna dromend genoeg voor Mia
28 En toch smeek ik de wereld voor iemand die ik mis
29 Hopelijk zal de engel mij ooit hebben gered
30 En steekt Alice het witte konijn terug in zijn kot
31 En zal Saramago een punt zetten in het wit van mijn gebed
32 En heb ik eindelijk eens prijs met het lot
Referenties:
r.1: Een vrijgezel die gaat pas slapen – Benny Nijmans
r.3: Een vrijgezel die gaat pas slapen – Benny Nijmans
r.4: Benny Nijmans
r.5: laatste middernachtzon -> last midnight sun -> mijn oude gedichten (deze heb ik niet
geteld)
r.9: reddingsbootje -> Titanic (dit is den halve omdat hij onduidelijk is)
r.10: de vis -> spinvis + Oevers van de tijd – Spinvis
r.12: Limonadeglazen vodka – Spinvis + Boecht van den Aldi – Clement Peerens Explosition
r.13: Maar sommigen zijn beter af zonder vrouw -> Better off without a wife – Tom Waits
r.14: Wijven niks als last – Katastroof
r.15: Tom en zijn vrouw -> Tom Waits en zijn vrouw Kathleen Brennan
r.16: Frank -> Franks Wild Years – Tom Waits + het was een kast -> Kindje van God – Spinvis
r.17: Hey, Jude – The Beatles
r.19: Mooiste van de klas – De Mens
r.20: Ik voel me goed – Johan Verminnen
r.21: Allegorie van de Grot – Plato + De grot – Gorki
r.22: Ik wil deze nacht in de straten verdwalen – Wannes van de Velde
r.23: Leeuw -> Leo -> Leonard Cohen
r.24: Arbeiders van het lied -> workers in song -> Chelsea Hotel #2 – Leonard Cohen + Dansen is
geen keus -> I'd rather dance with you – The Kings of Convenience
r.25: Chelsea Hotel #2 – Leonard Cohen + Hotel California – The Eagles (the Eagles hebben
trouwens ook Ol' 55 van Tom Waits gecovered)
r.26: Er lijkt geen liefde, enkel wanhoop wanneer ze dronken is -> There's no Devil, there's
just God when he's drunk -> Mr. Siegal – Tom Waits
r.27: Mia – Gorki
r.28: Please send me somebody to love – Barrel Grant
r.29: Engel, red mij – Gorki
r.30 Alice in Wonderland – Lewis Carrol
r.31: José Saramago + punt zetten -> Saramago gebruikt haast geen interpunctie + wit -> witte
blindheid -> Stad der Blinden – José Saramago
r.32: Prijs met het lot -> noodlot -> noodlot is een raadsel en gaat als volgt: wat kost niets
en toch altijd prijs -> Smalfilm – Spinvis
2 Als zijn geld op is of zijn dorst gestild
3 Een vrijgezel die gaat pas slapen
4 Als Benny hem van zijn strepen heeft gevild
5 De laatste middernachtzon als nachtlamp
6 Omdat hij bang is in het donker
7 De ratten en de vliegen zijn gevlucht met kramp
8 Want, godlief, het stonk er
9 Hij wilt zijn reddingsbootje aanlijnen
10 Maar niet zoals de vis zei, is de tijd oeverloos
11 En de vuurtoren begint te verdwijnen
12 Door de limonadeglazen vodka en Bulgaarse wijn in een doos
13 Maar sommigen zijn beter af zonder vrouw
14 Want die geven niets dan last
15 En Tom is die van hem al jaren trouw
16 Maar Frank stak zijn huis in de fik, het was een kast
17 Maar hey, Jude zei dat het niet zo erg was
18 En dat een lief wonderen doet
19 En als is ze misschien niet de mooiste van de klas
20 Je voelt je goed, zei Johan, je voelt je goed
21 Dus tijd om uit de grot te komen
22 En te zoeken naar een meisje, net en genereus
23 De leeuw heeft het nooit doen stomen
24 Maar ik heb de arbeiders van het lied nodig om haar te krijgen, dansen is geen keus
25 Nu heb ik alle hotels gezien van Chelsea tot California
26 Er lijkt geen liefde, enkel wanhoop wanneer ze dronken is
27 Bijna dromend genoeg voor Mia
28 En toch smeek ik de wereld voor iemand die ik mis
29 Hopelijk zal de engel mij ooit hebben gered
30 En steekt Alice het witte konijn terug in zijn kot
31 En zal Saramago een punt zetten in het wit van mijn gebed
32 En heb ik eindelijk eens prijs met het lot
Referenties:
r.1: Een vrijgezel die gaat pas slapen – Benny Nijmans
r.3: Een vrijgezel die gaat pas slapen – Benny Nijmans
r.4: Benny Nijmans
r.5: laatste middernachtzon -> last midnight sun -> mijn oude gedichten (deze heb ik niet
geteld)
r.9: reddingsbootje -> Titanic (dit is den halve omdat hij onduidelijk is)
r.10: de vis -> spinvis + Oevers van de tijd – Spinvis
r.12: Limonadeglazen vodka – Spinvis + Boecht van den Aldi – Clement Peerens Explosition
r.13: Maar sommigen zijn beter af zonder vrouw -> Better off without a wife – Tom Waits
r.14: Wijven niks als last – Katastroof
r.15: Tom en zijn vrouw -> Tom Waits en zijn vrouw Kathleen Brennan
r.16: Frank -> Franks Wild Years – Tom Waits + het was een kast -> Kindje van God – Spinvis
r.17: Hey, Jude – The Beatles
r.19: Mooiste van de klas – De Mens
r.20: Ik voel me goed – Johan Verminnen
r.21: Allegorie van de Grot – Plato + De grot – Gorki
r.22: Ik wil deze nacht in de straten verdwalen – Wannes van de Velde
r.23: Leeuw -> Leo -> Leonard Cohen
r.24: Arbeiders van het lied -> workers in song -> Chelsea Hotel #2 – Leonard Cohen + Dansen is
geen keus -> I'd rather dance with you – The Kings of Convenience
r.25: Chelsea Hotel #2 – Leonard Cohen + Hotel California – The Eagles (the Eagles hebben
trouwens ook Ol' 55 van Tom Waits gecovered)
r.26: Er lijkt geen liefde, enkel wanhoop wanneer ze dronken is -> There's no Devil, there's
just God when he's drunk -> Mr. Siegal – Tom Waits
r.27: Mia – Gorki
r.28: Please send me somebody to love – Barrel Grant
r.29: Engel, red mij – Gorki
r.30 Alice in Wonderland – Lewis Carrol
r.31: José Saramago + punt zetten -> Saramago gebruikt haast geen interpunctie + wit -> witte
blindheid -> Stad der Blinden – José Saramago
r.32: Prijs met het lot -> noodlot -> noodlot is een raadsel en gaat als volgt: wat kost niets
en toch altijd prijs -> Smalfilm – Spinvis
maandag 16 mei 2011
Picadilly Notebook Entry #13
16/05/2011 Dronkenmansdichten
Het is al een tijd geleden dat ik nog eens eentje als dit heb geschreven. Het komt doordat ik terug in een biografie over Tom Waits ben beginnen lezen. Doet me eraan denken dat het niet uitmaakt waar je een melancholicus zet en met wie je hem laat rondhangen, zijn essentie als blauw-gezopen bard blijft bestaan. Ze komt erdoor als de ex van de bluebird die Bukowsky verdrinkt en oprookt, de ex die het minder goed heeft opgepakt en hopeloos tracht de serveerster te versieren in een bar waar zelfs de barvliegen al aan het papier zijn geplakt in de hoop dat hoger ook dichter bij dromen betekent. Het is een dronkenmansdicht (eveneens een zelfgekozen naam). De opbouw is simpel: 4 kwatrijnen en gekruist rijm. Ritme is niet nodig. Het onderwerp valt te kiezen uit alle dromen die kapot zijn gegaan: familieproblemen, verloren liefde en de grote vlucht die halverwege werd gestopt door een kreupel worden door onbezonnenheid en het blindstaren op de zon en de maan die de grote leegte erachter verbergen. Deze dronkenmansdichten hebben heel lang heel mijn dichtbundel 'Songs for lost lovers and midnight strangers' uitgemaakt. Ze waren de woorden van de melancholicus die misschien reeds bestond als kind, maar vrij spel kreeg bij het verwerken van de herstellens- en lijdensweg van mijn broer. Hij heeft zich ontwikkelt tot een automatisch aanvoelen van het moment waarop geluk in pijn verglijdt, zoals de wielen van de nachtbus over de vergoten straten tegen het kruisend verkeer. Ik vraag mij af of en hoe mijn dronkenmansdichten van stijl en inhoud is veranderd.
Blind like Saramago
Where do you want it?
On the shelf in your bedroom
At the end of the line, where it can sit
With the rest of the ones you lead to their doom?
How do you want it?
Busted, bruised, black & blue
Or in a birthday suit that won't even fit?
You brought down my hands so you might as well tell me what to do
You're the temptress of the numb
The queen of the rebels
You seperate the wise from the dumb
And swith around their hulls
Blind like Saramago
I walk into your arms
And foolish like Romeo
I learn that love always harms
Ik weet niet of ik tevreden moet zijn. Ik stuit weer op hetzelfde probleem dat ik enkele jaren geleden ontdekte: de laatste vers komt te snel. Inhouds- en vocabulairegewijs weet ik ook niet hoe het te beoordelen. Misschien dat ik over tijd haar waarde kan schatten.
Het is al een tijd geleden dat ik nog eens eentje als dit heb geschreven. Het komt doordat ik terug in een biografie over Tom Waits ben beginnen lezen. Doet me eraan denken dat het niet uitmaakt waar je een melancholicus zet en met wie je hem laat rondhangen, zijn essentie als blauw-gezopen bard blijft bestaan. Ze komt erdoor als de ex van de bluebird die Bukowsky verdrinkt en oprookt, de ex die het minder goed heeft opgepakt en hopeloos tracht de serveerster te versieren in een bar waar zelfs de barvliegen al aan het papier zijn geplakt in de hoop dat hoger ook dichter bij dromen betekent. Het is een dronkenmansdicht (eveneens een zelfgekozen naam). De opbouw is simpel: 4 kwatrijnen en gekruist rijm. Ritme is niet nodig. Het onderwerp valt te kiezen uit alle dromen die kapot zijn gegaan: familieproblemen, verloren liefde en de grote vlucht die halverwege werd gestopt door een kreupel worden door onbezonnenheid en het blindstaren op de zon en de maan die de grote leegte erachter verbergen. Deze dronkenmansdichten hebben heel lang heel mijn dichtbundel 'Songs for lost lovers and midnight strangers' uitgemaakt. Ze waren de woorden van de melancholicus die misschien reeds bestond als kind, maar vrij spel kreeg bij het verwerken van de herstellens- en lijdensweg van mijn broer. Hij heeft zich ontwikkelt tot een automatisch aanvoelen van het moment waarop geluk in pijn verglijdt, zoals de wielen van de nachtbus over de vergoten straten tegen het kruisend verkeer. Ik vraag mij af of en hoe mijn dronkenmansdichten van stijl en inhoud is veranderd.
Blind like Saramago
Where do you want it?
On the shelf in your bedroom
At the end of the line, where it can sit
With the rest of the ones you lead to their doom?
How do you want it?
Busted, bruised, black & blue
Or in a birthday suit that won't even fit?
You brought down my hands so you might as well tell me what to do
You're the temptress of the numb
The queen of the rebels
You seperate the wise from the dumb
And swith around their hulls
Blind like Saramago
I walk into your arms
And foolish like Romeo
I learn that love always harms
Ik weet niet of ik tevreden moet zijn. Ik stuit weer op hetzelfde probleem dat ik enkele jaren geleden ontdekte: de laatste vers komt te snel. Inhouds- en vocabulairegewijs weet ik ook niet hoe het te beoordelen. Misschien dat ik over tijd haar waarde kan schatten.
dinsdag 10 mei 2011
Sonnet voor Charles
De jaren zijn niet voorbijgevlogen,
Ondanks al het leven en het plezier,
En het maakt niet uit hoeveel verjaardagen ik vier
Het geluk blijft buiten mijn vermogen.
En dat vermogen is geslonken,
Tot bridgen, breien en beeldbuis kijken
Terwijl de grond alsmaar wordt gevuld met lijken
En mijn geest meer en meer in gedachten raakt verzonken.
Het gras en de bloemen staan je steen goed.
Ze brengen iets nieuws aan je ondergang.
Iets wat m'n versleten geheugen nooit doet.
Maar Charles, ik ben niet meer bang.
Dit wordt mijn laatste groet.
Morgen gebeurt naar wat ik al elke dag verlang.
Ondanks al het leven en het plezier,
En het maakt niet uit hoeveel verjaardagen ik vier
Het geluk blijft buiten mijn vermogen.
En dat vermogen is geslonken,
Tot bridgen, breien en beeldbuis kijken
Terwijl de grond alsmaar wordt gevuld met lijken
En mijn geest meer en meer in gedachten raakt verzonken.
Het gras en de bloemen staan je steen goed.
Ze brengen iets nieuws aan je ondergang.
Iets wat m'n versleten geheugen nooit doet.
Maar Charles, ik ben niet meer bang.
Dit wordt mijn laatste groet.
Morgen gebeurt naar wat ik al elke dag verlang.
woensdag 4 mei 2011
Muziek <=> Woordkunst
Muziek en woordkunst (literatuur, poëzie, proza, liedjesteksten -ja, ik maak onderscheid-) zijn in mijn ogen al heel lang in competitie met elkaar. Wat ik hier ga proberen is een uiteenzetting te maken van de liefde-haat relatie tussen muziek en tekst, of althans zoals ik die ervaar. Nu, om onderscheid te maken en een tegenstellende relatie te bespreken. De tegenstelling ligt niet enkel op het niveau van de creatie, maar ook op het niveau van het effect.
Het verschil in creatie is vrij evident. De werktuigen (het woord instrumenten ga ik hier vermijden om geen verwarring te zaaien) zijn radicaal verschillend. Natuurlijk gebruikt een componist ook pen en papier om zijn muziek neer te schrijven, maar de grote vraag is dan of dit nog gezien kan worden als muziek.
Ik vrees dat ik het geen muziek zal kunnen noemen. Gelijk dat de blauwdruk van een gebouw geen gebouw is, is de verzameling noten op de notenbalk geen muziek. Ze zijn de richtlijnen ervoor. Het is pas wanneer de noten op een muziekinstrument worden gespeeld dat muziek gespeeld/gemaakt wordt.
We zien dus een fundamenteel verschil in de creatie van beide kunstvormen. Waar woordkunst zowel geschreven als uitgesproken de kunst op zich is, is enkel het uitvoeren van (vooraf gecomponeerde) muziekstukken de echte muzikale kunst.
Het verschil in effect is veel subtieler. Muziek is qua onmiddellijkheid de sterkste van de twee kunstvormen. Muziek kan in enkele noten de hele menselijke gesteldheid beïnvloeden. Door haar kan de luisteraar in luttele seconden overmeesterd worden door een sfeer, een gemoed. De reden dat ik hier sfeer gebruik en niet emotie/gevoel/sentiment hangt samen met de zwakte en de sterkte van muziek. Muziek mist definitie. De illustere emotie ontsnapt de pure (niet door andere media geaccompagneerde) muziek. Een muziekstuk kan een sfeer van blijdschap of verdriet oproepen, maar geen context of duiding.
Dat is het punt waar muziek voor mij onderdoet aan het woord, maar dat gebrek aan duiding is eveneens de kracht van muziek. Een sfeer concretiseren kost tijd. Duiden en definiëren kost eveneens tijd. Doordat muziek die taak niet op zich neemt, krijgt zij de kans heel snel te werk gaan en in luttele seconden te overmeesteren.
Maar woorden kunnen toch ook snel invloed hebben? De semantiek lijkt van dezelfde aard als de atmosfeer van een muziekstuk. Het grote verschil is dat woorden naar een concretere, hoewel nog steeds algemene, situatie of aard van emotie verwijzen, die ons dan leiden naar herinneringen en vooruitzichten die ons dierbaar of ongemakkelijk zijn. Dit verder leiden komt pas tot stand wanneer een minimum aan concretisering is bereikt. Dit verder leiden brengt ons dan uiteindelijk naar de ware definitie, zij het in een autonome situatieschets of een situatie die ons wordt voorgezet.
Nu misschien even tijd om verder over woordkunst uit te weiden. Dus waar muziek het voordeel van de snelheid had, heeft het woord het nadeel van de nood aan tijd. Een scène schetsen met puur omschrijvingen kost meer dan enkele seconden. Lezen op zich is een langzamere activiteit en de omschrijvingen dwingen ons haast de situatie in zijn concreetheid voor te stellen, terwijl we de semantiek van de gekozen woorden trachten te respecteren. Woorden komen van nature koeler over dan de noten van een piano of de akkoorden van een gitaar. Het inleven wordt zo dus bemoeilijkt. Maar datgene waar woorden altijd het finale middel voor zijn, is het duiden van situaties, relaties en emoties. Een beeld zegt meer dan duizend woorden, maar woorden kunnen het beeld een plaats geven in het universum-verhaal, dat vervuld is met contingentie en verteld met een bergketen aan abstracte ideeën waarnaar slechts via kleine onderdelen kan gerefereerd worden, bijvoorbeeld aan de hand van affectie.
Woordkunst wordt niet gelimiteerd door tijd of ruimte (muziek evenmin). Het enige dat het woord bindt, is het woord. De haast eindeloze facetten die taal mogelijk maken (letters, woorden, semantiek, grammatica, spelling, tijd,...) vormen elke act van woordkunst. Zij zijn de transcendentale blauwdruk van het literair-poëtische gebeuren. Deze verwoording heeft me een vorige uitspraak van me in twijfel doen trekken: Is een partituur muziek? De eigenlijke meer dwingende vraag die ik moet stellen, is: moet muziek auditief zijn? Na een kort onderhoud met een paar muzikanten en muziekliefhebbers, lijkt mijn initiële stelling correct. Muziek moet auditief zijn, anders is het geen muziek (nutteloos intermezzo -gezongen door een engelenkoor-).
Nu ik de sleuteleigenschappen van beide kunstvormen heb besproken, zal ik de liefde-haatrelatie bespreken. Dit ga ik doen aan de hand van 2 punten waar zij elkaar ontmoeten en in een vreemde manier met elkaar interageren:
1) Gezang: Dit is de schemerzone bij uitstek (tenzij het over woordeloos gezang gaat). Woordkunst en muziek smelten hier samen en toch vormen ze geen homogene kunstmassa, net door hun tegengestelde eigenschappen. Het muzikale element vinden we in het brengen van de tekst, dat sterk verschilt van het gewone declameren of zelfs theatraal brengen van een monoloog/dialoog. Het muzikale is datgene dat evengoed geneuried kan worden. Het woordkunst-gedeelte zit logischerwijs in de woorden. Het is dat wat evengoed gefluisterd of geroepen kan worden. Nu allemaal goed en wel, maar veel geschemer lijkt er hier niet te zijn. Er is een duidelijke scheiding en zijn zelfs autonoom te bespreken. Waar is dan mijn vreemde interactie? Waar anders dan in de ervaring. Het is vrij moeilijk te duiden bij wat een gezang in zijn geheel hoort, omdat zang en tekst op elkaar raken afgestemd. Teksten worden ritmisch en de melodie probeert een sfeer te creëren die aansluit op de inhoud of de context (als men ironisch wilt zijn) van de tekst. Ze fuseren op een zekere manier, waardoor we de tekst zien als onderdeel of de zang als de manier waarop de tekst gebracht moet worden, maar dit samentrekken van de ervaringen van beide kunstvormen doet onrecht aan beide vormen. Ik wil hiermee niet zeggen dat ze gescheiden moeten blijven, dat zang en tekst niet mogen gecombineerd worden of dat we het geheel niet mogen appreciëren, maar we moeten rechtvaardig zijn in de kwaliteiten die we gebruiken in ons oordelen en ook over wat we oordelen. We kunnen ons niet uitlaten over tekst die we niet kunnen begrijpen. Daar kunnen we hoogstens oordelen over het gebruik van ritme en rijm. Net zoals we niet mogen zeggen dat de zong goed geschreven of diepzinnig was.
2) Muzikaal-tekstuele disharmonie: muzikaal-tekstuele disharmonie ontstaat wanneer de aard van de sfeer die de muziek oproept sterk of zelfs radicaal verschilt met de emotie en de inhoud van de tekst. Dit kan opzettelijk worden gedaan door de muzikant (een vaak voorkomend gebruik bij komische muziek) of doordat de tekst niet correct begrepen wordt (wat we zien bij de uitvoering van best veel nummers, bvb.: Hallelujah – Jeff Buckley -als ik nog een keer iemand dit zeemzoet hoor brengen, ...-). Het opvallende is dat bij dit laatste het altijd de tekst is die het onderspit moet delven (ik kan die uitdrukking nooit meer gebruiken zonder een fragment van Urbanus door mijn hoofd te zien flitsen). Hier zien we het snelheid-definitieconflict. Muziek heeft door haar directe impact en invloed op ons, het woord al grotendeels de kans ontnomen ons te bereiken en de diepere of waarlijke inhoud van het lied over te brengen, iets dat leidt tot een ondoordacht nazingen, nascanderen en citeren van de tekst waarbij de inhoud verloren gaat en we hervallen in een groep hopelijk muzikaal capabele papegaaien. Het is vak zo dat naar mate dat we het lied meer horen de muziek haar greep op ons wat verliest en we ook aandacht vestigen op de tekst (als we het lied tegen dan al niet gewoon wordt afgezet).
Ik hoop dat aan de hand van deze twee situaties duidelijk is hoe ik de relatie tussen muziek en woordkunst ervaar. Het is me opgevallen dat ik vooral nadruk heb gelegd op het conflictueuze gedeelte van hun relatie. Ik hoop dat dit geen afbreuk doet aan de evidente versterking en schoonheid de twee kunnen voortbrengen, die van een andere aard is dan die van de kunstvormen apart en op zekere niet met hen te vergelijken valt.
Het verschil in creatie is vrij evident. De werktuigen (het woord instrumenten ga ik hier vermijden om geen verwarring te zaaien) zijn radicaal verschillend. Natuurlijk gebruikt een componist ook pen en papier om zijn muziek neer te schrijven, maar de grote vraag is dan of dit nog gezien kan worden als muziek.
Ik vrees dat ik het geen muziek zal kunnen noemen. Gelijk dat de blauwdruk van een gebouw geen gebouw is, is de verzameling noten op de notenbalk geen muziek. Ze zijn de richtlijnen ervoor. Het is pas wanneer de noten op een muziekinstrument worden gespeeld dat muziek gespeeld/gemaakt wordt.
We zien dus een fundamenteel verschil in de creatie van beide kunstvormen. Waar woordkunst zowel geschreven als uitgesproken de kunst op zich is, is enkel het uitvoeren van (vooraf gecomponeerde) muziekstukken de echte muzikale kunst.
Het verschil in effect is veel subtieler. Muziek is qua onmiddellijkheid de sterkste van de twee kunstvormen. Muziek kan in enkele noten de hele menselijke gesteldheid beïnvloeden. Door haar kan de luisteraar in luttele seconden overmeesterd worden door een sfeer, een gemoed. De reden dat ik hier sfeer gebruik en niet emotie/gevoel/sentiment hangt samen met de zwakte en de sterkte van muziek. Muziek mist definitie. De illustere emotie ontsnapt de pure (niet door andere media geaccompagneerde) muziek. Een muziekstuk kan een sfeer van blijdschap of verdriet oproepen, maar geen context of duiding.
Dat is het punt waar muziek voor mij onderdoet aan het woord, maar dat gebrek aan duiding is eveneens de kracht van muziek. Een sfeer concretiseren kost tijd. Duiden en definiëren kost eveneens tijd. Doordat muziek die taak niet op zich neemt, krijgt zij de kans heel snel te werk gaan en in luttele seconden te overmeesteren.
Maar woorden kunnen toch ook snel invloed hebben? De semantiek lijkt van dezelfde aard als de atmosfeer van een muziekstuk. Het grote verschil is dat woorden naar een concretere, hoewel nog steeds algemene, situatie of aard van emotie verwijzen, die ons dan leiden naar herinneringen en vooruitzichten die ons dierbaar of ongemakkelijk zijn. Dit verder leiden komt pas tot stand wanneer een minimum aan concretisering is bereikt. Dit verder leiden brengt ons dan uiteindelijk naar de ware definitie, zij het in een autonome situatieschets of een situatie die ons wordt voorgezet.
Nu misschien even tijd om verder over woordkunst uit te weiden. Dus waar muziek het voordeel van de snelheid had, heeft het woord het nadeel van de nood aan tijd. Een scène schetsen met puur omschrijvingen kost meer dan enkele seconden. Lezen op zich is een langzamere activiteit en de omschrijvingen dwingen ons haast de situatie in zijn concreetheid voor te stellen, terwijl we de semantiek van de gekozen woorden trachten te respecteren. Woorden komen van nature koeler over dan de noten van een piano of de akkoorden van een gitaar. Het inleven wordt zo dus bemoeilijkt. Maar datgene waar woorden altijd het finale middel voor zijn, is het duiden van situaties, relaties en emoties. Een beeld zegt meer dan duizend woorden, maar woorden kunnen het beeld een plaats geven in het universum-verhaal, dat vervuld is met contingentie en verteld met een bergketen aan abstracte ideeën waarnaar slechts via kleine onderdelen kan gerefereerd worden, bijvoorbeeld aan de hand van affectie.
Woordkunst wordt niet gelimiteerd door tijd of ruimte (muziek evenmin). Het enige dat het woord bindt, is het woord. De haast eindeloze facetten die taal mogelijk maken (letters, woorden, semantiek, grammatica, spelling, tijd,...) vormen elke act van woordkunst. Zij zijn de transcendentale blauwdruk van het literair-poëtische gebeuren. Deze verwoording heeft me een vorige uitspraak van me in twijfel doen trekken: Is een partituur muziek? De eigenlijke meer dwingende vraag die ik moet stellen, is: moet muziek auditief zijn? Na een kort onderhoud met een paar muzikanten en muziekliefhebbers, lijkt mijn initiële stelling correct. Muziek moet auditief zijn, anders is het geen muziek (nutteloos intermezzo -gezongen door een engelenkoor-).
Nu ik de sleuteleigenschappen van beide kunstvormen heb besproken, zal ik de liefde-haatrelatie bespreken. Dit ga ik doen aan de hand van 2 punten waar zij elkaar ontmoeten en in een vreemde manier met elkaar interageren:
1) Gezang: Dit is de schemerzone bij uitstek (tenzij het over woordeloos gezang gaat). Woordkunst en muziek smelten hier samen en toch vormen ze geen homogene kunstmassa, net door hun tegengestelde eigenschappen. Het muzikale element vinden we in het brengen van de tekst, dat sterk verschilt van het gewone declameren of zelfs theatraal brengen van een monoloog/dialoog. Het muzikale is datgene dat evengoed geneuried kan worden. Het woordkunst-gedeelte zit logischerwijs in de woorden. Het is dat wat evengoed gefluisterd of geroepen kan worden. Nu allemaal goed en wel, maar veel geschemer lijkt er hier niet te zijn. Er is een duidelijke scheiding en zijn zelfs autonoom te bespreken. Waar is dan mijn vreemde interactie? Waar anders dan in de ervaring. Het is vrij moeilijk te duiden bij wat een gezang in zijn geheel hoort, omdat zang en tekst op elkaar raken afgestemd. Teksten worden ritmisch en de melodie probeert een sfeer te creëren die aansluit op de inhoud of de context (als men ironisch wilt zijn) van de tekst. Ze fuseren op een zekere manier, waardoor we de tekst zien als onderdeel of de zang als de manier waarop de tekst gebracht moet worden, maar dit samentrekken van de ervaringen van beide kunstvormen doet onrecht aan beide vormen. Ik wil hiermee niet zeggen dat ze gescheiden moeten blijven, dat zang en tekst niet mogen gecombineerd worden of dat we het geheel niet mogen appreciëren, maar we moeten rechtvaardig zijn in de kwaliteiten die we gebruiken in ons oordelen en ook over wat we oordelen. We kunnen ons niet uitlaten over tekst die we niet kunnen begrijpen. Daar kunnen we hoogstens oordelen over het gebruik van ritme en rijm. Net zoals we niet mogen zeggen dat de zong goed geschreven of diepzinnig was.
2) Muzikaal-tekstuele disharmonie: muzikaal-tekstuele disharmonie ontstaat wanneer de aard van de sfeer die de muziek oproept sterk of zelfs radicaal verschilt met de emotie en de inhoud van de tekst. Dit kan opzettelijk worden gedaan door de muzikant (een vaak voorkomend gebruik bij komische muziek) of doordat de tekst niet correct begrepen wordt (wat we zien bij de uitvoering van best veel nummers, bvb.: Hallelujah – Jeff Buckley -als ik nog een keer iemand dit zeemzoet hoor brengen, ...-). Het opvallende is dat bij dit laatste het altijd de tekst is die het onderspit moet delven (ik kan die uitdrukking nooit meer gebruiken zonder een fragment van Urbanus door mijn hoofd te zien flitsen). Hier zien we het snelheid-definitieconflict. Muziek heeft door haar directe impact en invloed op ons, het woord al grotendeels de kans ontnomen ons te bereiken en de diepere of waarlijke inhoud van het lied over te brengen, iets dat leidt tot een ondoordacht nazingen, nascanderen en citeren van de tekst waarbij de inhoud verloren gaat en we hervallen in een groep hopelijk muzikaal capabele papegaaien. Het is vak zo dat naar mate dat we het lied meer horen de muziek haar greep op ons wat verliest en we ook aandacht vestigen op de tekst (als we het lied tegen dan al niet gewoon wordt afgezet).
Ik hoop dat aan de hand van deze twee situaties duidelijk is hoe ik de relatie tussen muziek en woordkunst ervaar. Het is me opgevallen dat ik vooral nadruk heb gelegd op het conflictueuze gedeelte van hun relatie. Ik hoop dat dit geen afbreuk doet aan de evidente versterking en schoonheid de twee kunnen voortbrengen, die van een andere aard is dan die van de kunstvormen apart en op zekere niet met hen te vergelijken valt.
vrijdag 29 april 2011
Directe poëzie
Eerste deel van het rijmschema
Een vergelijking die op niets slaat
Tweede deel van mijn rijmschema
Een nietszeggende metafoor
Een langzaam begin
Van een tergend traag verhaal
Dat vertelt over iets dat is gebeurt
Waar ik helemaal van onderste boven ben
Iets dat mijn bestaansinvulling heeft verandert
Iets dat schijnbaar alles heeft beïnvloed
Waardoor ik nu twijfels heb
maar wel gelukkig ben
Woorden, woorden, woorden,
Die stuk voor stuk
Iets zeggen over jou
En over hoe ik je ervaar.
Standaarvergelijking
Standaardflemerij
Vereist grapje
Vereist corrigeren van verkeerde indruk met compliment
Dat is zowat wat hier zou staan
Moest ik mezelf overgeven aan woorden
Die ik toch nooit helemaal begrijp
En ze zo verkracht.
Mensen houden zich te veel bezig
Met uitdrukkingen die ze niet vatten
Of vergelijkingen die geen relatie houden
En dat allemaal om iets te zeggen.
Ze komen allemaal terug
Bij 4 woorden
Die ze zelf nog niet helemaal vertrouwen
In het hanteren ervan.
Maar daar wil ik nu allemaal van af
Want direct zijn heeft een schoonheid
Die niet meteen kan evenaart worden.
Dus hier volgt hij dan maar.
Ik zie u graag!
Een vergelijking die op niets slaat
Tweede deel van mijn rijmschema
Een nietszeggende metafoor
Een langzaam begin
Van een tergend traag verhaal
Dat vertelt over iets dat is gebeurt
Waar ik helemaal van onderste boven ben
Iets dat mijn bestaansinvulling heeft verandert
Iets dat schijnbaar alles heeft beïnvloed
Waardoor ik nu twijfels heb
maar wel gelukkig ben
Woorden, woorden, woorden,
Die stuk voor stuk
Iets zeggen over jou
En over hoe ik je ervaar.
Standaarvergelijking
Standaardflemerij
Vereist grapje
Vereist corrigeren van verkeerde indruk met compliment
Dat is zowat wat hier zou staan
Moest ik mezelf overgeven aan woorden
Die ik toch nooit helemaal begrijp
En ze zo verkracht.
Mensen houden zich te veel bezig
Met uitdrukkingen die ze niet vatten
Of vergelijkingen die geen relatie houden
En dat allemaal om iets te zeggen.
Ze komen allemaal terug
Bij 4 woorden
Die ze zelf nog niet helemaal vertrouwen
In het hanteren ervan.
Maar daar wil ik nu allemaal van af
Want direct zijn heeft een schoonheid
Die niet meteen kan evenaart worden.
Dus hier volgt hij dan maar.
Ik zie u graag!
zaterdag 23 april 2011
Picadilly Notebook Entry #12
20/04/2011 Ik stem voor niets
Er is gevochten en gestreden
Voor een macht die leeg lijkt
Een gefluister in het straatlawaai
M'n stem kan roepen
Maar de muren zijn te dik
En de ramen bezet met staal
Ze zeggen dat je vormt,
En maken het je plicht
Maar het lijkt allemaal te vergeefs.
Je mening is belangrijk
Dus uit ze dan ook
Maar hoe overtuigd ik dat ook doe, niemand luistert
De laatste hoop is een mompelend verbond,
Het collectief gefluister van de kleine massa,
Die hoopvol haar stem verheft
En binnenkort sta ik weer in de rij,
Om te wachten op de bron en bevestiging,
Van de nietige vluchtigheid van mijn stem.
Er is gevochten en gestreden
Voor een macht die leeg lijkt
Een gefluister in het straatlawaai
M'n stem kan roepen
Maar de muren zijn te dik
En de ramen bezet met staal
Ze zeggen dat je vormt,
En maken het je plicht
Maar het lijkt allemaal te vergeefs.
Je mening is belangrijk
Dus uit ze dan ook
Maar hoe overtuigd ik dat ook doe, niemand luistert
De laatste hoop is een mompelend verbond,
Het collectief gefluister van de kleine massa,
Die hoopvol haar stem verheft
En binnenkort sta ik weer in de rij,
Om te wachten op de bron en bevestiging,
Van de nietige vluchtigheid van mijn stem.
Abonneren op:
Posts (Atom)