Ode aan de dood

Ode aan de dood

zaterdag 28 mei 2011

In referentie

1 Een vrijgezel die gaat pas slapen
2 Als zijn geld op is of zijn dorst gestild
3 Een vrijgezel die gaat pas slapen
4 Als Benny hem van zijn strepen heeft gevild

5 De laatste middernachtzon als nachtlamp
6 Omdat hij bang is in het donker
7 De ratten en de vliegen zijn gevlucht met kramp
8 Want, godlief, het stonk er

9 Hij wilt zijn reddingsbootje aanlijnen
10 Maar niet zoals de vis zei, is de tijd oeverloos
11 En de vuurtoren begint te verdwijnen
12 Door de limonadeglazen vodka en Bulgaarse wijn in een doos

13 Maar sommigen zijn beter af zonder vrouw
14 Want die geven niets dan last
15 En Tom is die van hem al jaren trouw
16 Maar Frank stak zijn huis in de fik, het was een kast

17 Maar hey, Jude zei dat het niet zo erg was
18 En dat een lief wonderen doet
19 En als is ze misschien niet de mooiste van de klas
20 Je voelt je goed, zei Johan, je voelt je goed

21 Dus tijd om uit de grot te komen
22 En te zoeken naar een meisje, net en genereus
23 De leeuw heeft het nooit doen stomen
24 Maar ik heb de arbeiders van het lied nodig om haar te krijgen, dansen is geen keus

25 Nu heb ik alle hotels gezien van Chelsea tot California
26 Er lijkt geen liefde, enkel wanhoop wanneer ze dronken is
27 Bijna dromend genoeg voor Mia
28 En toch smeek ik de wereld voor iemand die ik mis

29 Hopelijk zal de engel mij ooit hebben gered
30 En steekt Alice het witte konijn terug in zijn kot
31 En zal Saramago een punt zetten in het wit van mijn gebed
32 En heb ik eindelijk eens prijs met het lot













Referenties:

r.1: Een vrijgezel die gaat pas slapen – Benny Nijmans
r.3: Een vrijgezel die gaat pas slapen – Benny Nijmans
r.4: Benny Nijmans

r.5: laatste middernachtzon -> last midnight sun -> mijn oude gedichten (deze heb ik niet
geteld)

r.9: reddingsbootje -> Titanic (dit is den halve omdat hij onduidelijk is)
r.10: de vis -> spinvis + Oevers van de tijd – Spinvis
r.12: Limonadeglazen vodka – Spinvis + Boecht van den Aldi – Clement Peerens Explosition

r.13: Maar sommigen zijn beter af zonder vrouw -> Better off without a wife – Tom Waits
r.14: Wijven niks als last – Katastroof
r.15: Tom en zijn vrouw -> Tom Waits en zijn vrouw Kathleen Brennan
r.16: Frank -> Franks Wild Years – Tom Waits + het was een kast -> Kindje van God – Spinvis

r.17: Hey, Jude – The Beatles
r.19: Mooiste van de klas – De Mens
r.20: Ik voel me goed – Johan Verminnen

r.21: Allegorie van de Grot – Plato + De grot – Gorki
r.22: Ik wil deze nacht in de straten verdwalen – Wannes van de Velde
r.23: Leeuw -> Leo -> Leonard Cohen
r.24: Arbeiders van het lied -> workers in song -> Chelsea Hotel #2 – Leonard Cohen + Dansen is
geen keus -> I'd rather dance with you – The Kings of Convenience

r.25: Chelsea Hotel #2 – Leonard Cohen + Hotel California – The Eagles (the Eagles hebben
trouwens ook Ol' 55 van Tom Waits gecovered)
r.26: Er lijkt geen liefde, enkel wanhoop wanneer ze dronken is -> There's no Devil, there's
just God when he's drunk -> Mr. Siegal – Tom Waits
r.27: Mia – Gorki
r.28: Please send me somebody to love – Barrel Grant

r.29: Engel, red mij – Gorki
r.30 Alice in Wonderland – Lewis Carrol
r.31: José Saramago + punt zetten -> Saramago gebruikt haast geen interpunctie + wit -> witte
blindheid -> Stad der Blinden – José Saramago
r.32: Prijs met het lot -> noodlot -> noodlot is een raadsel en gaat als volgt: wat kost niets
en toch altijd prijs -> Smalfilm – Spinvis

maandag 16 mei 2011

Picadilly Notebook Entry #13

16/05/2011 Dronkenmansdichten

Het is al een tijd geleden dat ik nog eens eentje als dit heb geschreven. Het komt doordat ik terug in een biografie over Tom Waits ben beginnen lezen. Doet me eraan denken dat het niet uitmaakt waar je een melancholicus zet en met wie je hem laat rondhangen, zijn essentie als blauw-gezopen bard blijft bestaan. Ze komt erdoor als de ex van de bluebird die Bukowsky verdrinkt en oprookt, de ex die het minder goed heeft opgepakt en hopeloos tracht de serveerster te versieren in een bar waar zelfs de barvliegen al aan het papier zijn geplakt in de hoop dat hoger ook dichter bij dromen betekent. Het is een dronkenmansdicht (eveneens een zelfgekozen naam). De opbouw is simpel: 4 kwatrijnen en gekruist rijm. Ritme is niet nodig. Het onderwerp valt te kiezen uit alle dromen die kapot zijn gegaan: familieproblemen, verloren liefde en de grote vlucht die halverwege werd gestopt door een kreupel worden door onbezonnenheid en het blindstaren op de zon en de maan die de grote leegte erachter verbergen. Deze dronkenmansdichten hebben heel lang heel mijn dichtbundel 'Songs for lost lovers and midnight strangers' uitgemaakt. Ze waren de woorden van de melancholicus die misschien reeds bestond als kind, maar vrij spel kreeg bij het verwerken van de herstellens- en lijdensweg van mijn broer. Hij heeft zich ontwikkelt tot een automatisch aanvoelen van het moment waarop geluk in pijn verglijdt, zoals de wielen van de nachtbus over de vergoten straten tegen het kruisend verkeer. Ik vraag mij af of en hoe mijn dronkenmansdichten van stijl en inhoud is veranderd.

Blind like Saramago

Where do you want it?
On the shelf in your bedroom
At the end of the line, where it can sit
With the rest of the ones you lead to their doom?

How do you want it?
Busted, bruised, black & blue
Or in a birthday suit that won't even fit?
You brought down my hands so you might as well tell me what to do

You're the temptress of the numb
The queen of the rebels
You seperate the wise from the dumb
And swith around their hulls

Blind like Saramago
I walk into your arms
And foolish like Romeo
I learn that love always harms

Ik weet niet of ik tevreden moet zijn. Ik stuit weer op hetzelfde probleem dat ik enkele jaren geleden ontdekte: de laatste vers komt te snel. Inhouds- en vocabulairegewijs weet ik ook niet hoe het te beoordelen. Misschien dat ik over tijd haar waarde kan schatten.

dinsdag 10 mei 2011

Sonnet voor Charles

De jaren zijn niet voorbijgevlogen,
Ondanks al het leven en het plezier,
En het maakt niet uit hoeveel verjaardagen ik vier
Het geluk blijft buiten mijn vermogen.

En dat vermogen is geslonken,
Tot bridgen, breien en beeldbuis kijken
Terwijl de grond alsmaar wordt gevuld met lijken
En mijn geest meer en meer in gedachten raakt verzonken.

Het gras en de bloemen staan je steen goed.
Ze brengen iets nieuws aan je ondergang.
Iets wat m'n versleten geheugen nooit doet.

Maar Charles, ik ben niet meer bang.
Dit wordt mijn laatste groet.
Morgen gebeurt naar wat ik al elke dag verlang.

woensdag 4 mei 2011

Muziek <=> Woordkunst

Muziek en woordkunst (literatuur, poëzie, proza, liedjesteksten -ja, ik maak onderscheid-) zijn in mijn ogen al heel lang in competitie met elkaar. Wat ik hier ga proberen is een uiteenzetting te maken van de liefde-haat relatie tussen muziek en tekst, of althans zoals ik die ervaar. Nu, om onderscheid te maken en een tegenstellende relatie te bespreken. De tegenstelling ligt niet enkel op het niveau van de creatie, maar ook op het niveau van het effect.

Het verschil in creatie is vrij evident. De werktuigen (het woord instrumenten ga ik hier vermijden om geen verwarring te zaaien) zijn radicaal verschillend. Natuurlijk gebruikt een componist ook pen en papier om zijn muziek neer te schrijven, maar de grote vraag is dan of dit nog gezien kan worden als muziek.
Ik vrees dat ik het geen muziek zal kunnen noemen. Gelijk dat de blauwdruk van een gebouw geen gebouw is, is de verzameling noten op de notenbalk geen muziek. Ze zijn de richtlijnen ervoor. Het is pas wanneer de noten op een muziekinstrument worden gespeeld dat muziek gespeeld/gemaakt wordt.
We zien dus een fundamenteel verschil in de creatie van beide kunstvormen. Waar woordkunst zowel geschreven als uitgesproken de kunst op zich is, is enkel het uitvoeren van (vooraf gecomponeerde) muziekstukken de echte muzikale kunst.

Het verschil in effect is veel subtieler. Muziek is qua onmiddellijkheid de sterkste van de twee kunstvormen. Muziek kan in enkele noten de hele menselijke gesteldheid beïnvloeden. Door haar kan de luisteraar in luttele seconden overmeesterd worden door een sfeer, een gemoed. De reden dat ik hier sfeer gebruik en niet emotie/gevoel/sentiment hangt samen met de zwakte en de sterkte van muziek. Muziek mist definitie. De illustere emotie ontsnapt de pure (niet door andere media geaccompagneerde) muziek. Een muziekstuk kan een sfeer van blijdschap of verdriet oproepen, maar geen context of duiding.

Dat is het punt waar muziek voor mij onderdoet aan het woord, maar dat gebrek aan duiding is eveneens de kracht van muziek. Een sfeer concretiseren kost tijd. Duiden en definiëren kost eveneens tijd. Doordat muziek die taak niet op zich neemt, krijgt zij de kans heel snel te werk gaan en in luttele seconden te overmeesteren.

Maar woorden kunnen toch ook snel invloed hebben? De semantiek lijkt van dezelfde aard als de atmosfeer van een muziekstuk. Het grote verschil is dat woorden naar een concretere, hoewel nog steeds algemene, situatie of aard van emotie verwijzen, die ons dan leiden naar herinneringen en vooruitzichten die ons dierbaar of ongemakkelijk zijn. Dit verder leiden komt pas tot stand wanneer een minimum aan concretisering is bereikt. Dit verder leiden brengt ons dan uiteindelijk naar de ware definitie, zij het in een autonome situatieschets of een situatie die ons wordt voorgezet.

Nu misschien even tijd om verder over woordkunst uit te weiden. Dus waar muziek het voordeel van de snelheid had, heeft het woord het nadeel van de nood aan tijd. Een scène schetsen met puur omschrijvingen kost meer dan enkele seconden. Lezen op zich is een langzamere activiteit en de omschrijvingen dwingen ons haast de situatie in zijn concreetheid voor te stellen, terwijl we de semantiek van de gekozen woorden trachten te respecteren. Woorden komen van nature koeler over dan de noten van een piano of de akkoorden van een gitaar. Het inleven wordt zo dus bemoeilijkt. Maar datgene waar woorden altijd het finale middel voor zijn, is het duiden van situaties, relaties en emoties. Een beeld zegt meer dan duizend woorden, maar woorden kunnen het beeld een plaats geven in het universum-verhaal, dat vervuld is met contingentie en verteld met een bergketen aan abstracte ideeën waarnaar slechts via kleine onderdelen kan gerefereerd worden, bijvoorbeeld aan de hand van affectie.

Woordkunst wordt niet gelimiteerd door tijd of ruimte (muziek evenmin). Het enige dat het woord bindt, is het woord. De haast eindeloze facetten die taal mogelijk maken (letters, woorden, semantiek, grammatica, spelling, tijd,...) vormen elke act van woordkunst. Zij zijn de transcendentale blauwdruk van het literair-poëtische gebeuren. Deze verwoording heeft me een vorige uitspraak van me in twijfel doen trekken: Is een partituur muziek? De eigenlijke meer dwingende vraag die ik moet stellen, is: moet muziek auditief zijn? Na een kort onderhoud met een paar muzikanten en muziekliefhebbers, lijkt mijn initiële stelling correct. Muziek moet auditief zijn, anders is het geen muziek (nutteloos intermezzo -gezongen door een engelenkoor-).

Nu ik de sleuteleigenschappen van beide kunstvormen heb besproken, zal ik de liefde-haatrelatie bespreken. Dit ga ik doen aan de hand van 2 punten waar zij elkaar ontmoeten en in een vreemde manier met elkaar interageren:

1) Gezang: Dit is de schemerzone bij uitstek (tenzij het over woordeloos gezang gaat). Woordkunst en muziek smelten hier samen en toch vormen ze geen homogene kunstmassa, net door hun tegengestelde eigenschappen. Het muzikale element vinden we in het brengen van de tekst, dat sterk verschilt van het gewone declameren of zelfs theatraal brengen van een monoloog/dialoog. Het muzikale is datgene dat evengoed geneuried kan worden. Het woordkunst-gedeelte zit logischerwijs in de woorden. Het is dat wat evengoed gefluisterd of geroepen kan worden. Nu allemaal goed en wel, maar veel geschemer lijkt er hier niet te zijn. Er is een duidelijke scheiding en zijn zelfs autonoom te bespreken. Waar is dan mijn vreemde interactie? Waar anders dan in de ervaring. Het is vrij moeilijk te duiden bij wat een gezang in zijn geheel hoort, omdat zang en tekst op elkaar raken afgestemd. Teksten worden ritmisch en de melodie probeert een sfeer te creëren die aansluit op de inhoud of de context (als men ironisch wilt zijn) van de tekst. Ze fuseren op een zekere manier, waardoor we de tekst zien als onderdeel of de zang als de manier waarop de tekst gebracht moet worden, maar dit samentrekken van de ervaringen van beide kunstvormen doet onrecht aan beide vormen. Ik wil hiermee niet zeggen dat ze gescheiden moeten blijven, dat zang en tekst niet mogen gecombineerd worden of dat we het geheel niet mogen appreciëren, maar we moeten rechtvaardig zijn in de kwaliteiten die we gebruiken in ons oordelen en ook over wat we oordelen. We kunnen ons niet uitlaten over tekst die we niet kunnen begrijpen. Daar kunnen we hoogstens oordelen over het gebruik van ritme en rijm. Net zoals we niet mogen zeggen dat de zong goed geschreven of diepzinnig was.

2) Muzikaal-tekstuele disharmonie: muzikaal-tekstuele disharmonie ontstaat wanneer de aard van de sfeer die de muziek oproept sterk of zelfs radicaal verschilt met de emotie en de inhoud van de tekst. Dit kan opzettelijk worden gedaan door de muzikant (een vaak voorkomend gebruik bij komische muziek) of doordat de tekst niet correct begrepen wordt (wat we zien bij de uitvoering van best veel nummers, bvb.: Hallelujah – Jeff Buckley -als ik nog een keer iemand dit zeemzoet hoor brengen, ...-). Het opvallende is dat bij dit laatste het altijd de tekst is die het onderspit moet delven (ik kan die uitdrukking nooit meer gebruiken zonder een fragment van Urbanus door mijn hoofd te zien flitsen). Hier zien we het snelheid-definitieconflict. Muziek heeft door haar directe impact en invloed op ons, het woord al grotendeels de kans ontnomen ons te bereiken en de diepere of waarlijke inhoud van het lied over te brengen, iets dat leidt tot een ondoordacht nazingen, nascanderen en citeren van de tekst waarbij de inhoud verloren gaat en we hervallen in een groep hopelijk muzikaal capabele papegaaien. Het is vak zo dat naar mate dat we het lied meer horen de muziek haar greep op ons wat verliest en we ook aandacht vestigen op de tekst (als we het lied tegen dan al niet gewoon wordt afgezet).

Ik hoop dat aan de hand van deze twee situaties duidelijk is hoe ik de relatie tussen muziek en woordkunst ervaar. Het is me opgevallen dat ik vooral nadruk heb gelegd op het conflictueuze gedeelte van hun relatie. Ik hoop dat dit geen afbreuk doet aan de evidente versterking en schoonheid de twee kunnen voortbrengen, die van een andere aard is dan die van de kunstvormen apart en op zekere niet met hen te vergelijken valt.

vrijdag 29 april 2011

Directe poëzie

Eerste deel van het rijmschema
Een vergelijking die op niets slaat
Tweede deel van mijn rijmschema
Een nietszeggende metafoor

Een langzaam begin
Van een tergend traag verhaal
Dat vertelt over iets dat is gebeurt
Waar ik helemaal van onderste boven ben

Iets dat mijn bestaansinvulling heeft verandert
Iets dat schijnbaar alles heeft beïnvloed
Waardoor ik nu twijfels heb
maar wel gelukkig ben

Woorden, woorden, woorden,
Die stuk voor stuk
Iets zeggen over jou
En over hoe ik je ervaar.

Standaarvergelijking
Standaardflemerij
Vereist grapje
Vereist corrigeren van verkeerde indruk met compliment

Dat is zowat wat hier zou staan
Moest ik mezelf overgeven aan woorden
Die ik toch nooit helemaal begrijp
En ze zo verkracht.

Mensen houden zich te veel bezig
Met uitdrukkingen die ze niet vatten
Of vergelijkingen die geen relatie houden
En dat allemaal om iets te zeggen.

Ze komen allemaal terug
Bij 4 woorden
Die ze zelf nog niet helemaal vertrouwen
In het hanteren ervan.

Maar daar wil ik nu allemaal van af
Want direct zijn heeft een schoonheid
Die niet meteen kan evenaart worden.
Dus hier volgt hij dan maar.

Ik zie u graag!

zaterdag 23 april 2011

Picadilly Notebook Entry #12

20/04/2011 Ik stem voor niets

Er is gevochten en gestreden
Voor een macht die leeg lijkt
Een gefluister in het straatlawaai

M'n stem kan roepen
Maar de muren zijn te dik
En de ramen bezet met staal

Ze zeggen dat je vormt,
En maken het je plicht
Maar het lijkt allemaal te vergeefs.

Je mening is belangrijk
Dus uit ze dan ook
Maar hoe overtuigd ik dat ook doe, niemand luistert

De laatste hoop is een mompelend verbond,
Het collectief gefluister van de kleine massa,
Die hoopvol haar stem verheft

En binnenkort sta ik weer in de rij,
Om te wachten op de bron en bevestiging,
Van de nietige vluchtigheid van mijn stem.

Picadilly Notebook Entry #9

12/03/2011 Waar de trein stopt

Deze titel refereert naar het boek “De trein de traagheid” van Johan Daisne, een verhaal over het hiernamaals, niet over het sterven. In 'De trein der traagheid” wordt het leven-na-het-gegeven gezien als een stilstand van de overlevenden en daarna een café waarin een onvoorstelbaar gevoel van gelukzaligheid heerst. Dit laatste doet me denken aan het toneelstuk 'De gebroken dromenlaan' van Willy Minnen en het kortverhaal van Charles Bukowsky, getiteld 'Nirvana'.

Ik geloof dat de opzet van dit essay nu wel duidelijk zal zijn. k wil neerpennen wat ik denk/hoop/betwijfel wat er mij te wachten staat. Het ontwerpen van hiernamalen (is dat zelfs een woord?) is iets dat al millennia aan de gang is, puur omdat een compleet einde van het eigen leven en dat van een ander te gruwelijk is. Het moet verdergaan, al is het dan maar ergens anders. En zo ontstaat dan degene zijde in de geest van de mens. En als je er dan nog ineens een toegangsticketje in de vorm van een goede ziel aan vast hangt, kun je er een moraal en levensinvulling erbij nemen. Dat is pas marketing.

Nu, als dit concipiëren van een hiernamaals zo universeel bleek in de geschiedenis, vanwaar komt dan die neiging tot vereenmaliging van het leven in het Westen?
Het wegvallen van de godsdienst in het leven van veel mensen heeft daar ongetwijfeld mee te maken, maar een andere reden is de veiligheid van onze maatschappij. Natuurlijk is er nog gevaar. Dutroux, Ronald Janssens, auto's, drugs aller handen en ik kan nog wel even doorgaan, maar we voelen het niet. We zitten niet met de angst voor dagdagelijkse zaken en door de vooruitgang in de medische zorg is dood een heel occasioneel gebeuren geworden. Het is niet meer de steeds nakende dreiging van vroeger. We staan er verder vandaan en dus ook van het nadenken over de dood, diens gevolgen en wat er mogelijk op volgt. Om misschien toch nog even kort terug te komen op godsdienst en dan ook voornamelijk het verlies en afwijzen van haar transcendentale elementen van religie. Door het verimmanenten van de ganse werkelijkheid wordt de angst niet meer verzacht door een bovenstaande heil. Het resultaat is dat de mens zijn angst met een immanent element moet verzachten. Zo is onze haast manische en obsessieve liefde voor jong en jeugd tot stand gekomen (als extreme uitbouwing van de biologische aantrekking tot de beginperiode van geslachtsrijpheid).

Een 4de reden (verlies van godsdienst, jeugd-obsessie en vermindering van gevaar en nakendheid van de dood als de 3 vorigen) is een simpele, maar filosofische en humanistisch zeer schrijnende reden. We hebben geen tijd meer. De maatschappij is te gejaagd en vervuld met afleidingen om nog te kunnen doorgaan op diepere zaken. Daarom moeten we het maar stellen met 'het voorgekauwde niets' (misschien een betere titel voor dit essay) en als je verstandig en intellectueel wilt lijken, wordt het eten wat de pot schaft. We zijn tolerant tegenover godsdienstige en spirituele houdingen, maar hebben er automatisch een argwanende en afwijzende houding tegenover, ook al verspreidt een dergelijke houding misschien een ethisch en esthetisch mooier beeld van de mens, zijn leven en de wereld.

Hoe verklaren we de wereld nu dan? Door de wereld. Hoe verstaan we haar? Niet, ze is slechts een gebruiksvoorwerp dat we nog helemaal moeten vatten, gelijk het nieuwste model van 'wie-weet-wat' van het merk 'amehoela' met zijn nieuwe functies waaronder de aardbijenontpitterstand en de conferentiecentrumrestauratiefunctie. En in aanschijn van dat licht, vraag ik onze atheïstische vrienden een systeem te ontwikkelen dat verder gaat dan “ge moet er maar mee leren leven.”.
Ik vlieg hier nu best uit tegen het atheïstische denken, maar ik sta natuurlijk niet zo vijandig tegenover haar denkers. Ik ben voor zolang ik me kan herinneren ook een atheïst geweest, met hier en daar een ijdele sessie van bidden. Ik ben het in zekere zin nog steeds, hoewel ik de laatste tijd een nieuw wereldbeeld ben beginnen ontwerpen, blijft er een niet-gelovig denken aan me knagen (kind van m'n tijd, denk ik dan). Ik haat atheïstische denkers dus niet, maar ik stel me wel vragen bij hoe humanistisch het is de nietigheid van de mens zo centraal te stellen.

Nu terug naar het onderwerp: de gene zijde. Wat als ik sterf? Wat als mijn lichaam het begeeft, mijn hart haar laatste slagen doet, mijn longen voor de laatste keer leeglopen en mijn hersenen hun laatste neurotransmitter afvuren? Wat dan? Wat ik al vast niet verwacht is een hemel in de christelijke zin. Geen transcendent pretpark moet een bord waarop staat: “je moet minstens zo gelovig en goed zijn geweest om binnen te mogen.” Het idee van reïncarnatie kan me spijtig genoeg ook niet overtuigen. Dat brengt ons bij het idee van voorouders die nog in de natuur aanwezig zijn en over ons waken. Dit is de visie die het meeste bij de mijne aansluit.

Er blijft inderdaad iets van ons over. Zal ik het een ziel noemen? Een levensgevend principe, ons goddelijk geschenk? Dat kan ik doen als ik het herdefinieer, maar de christelijke definitie en diens semantiek zullen er steeds doorsijpelen.

Dus tijd voor een neologisme (Jeej! Tijd voor nog een momentje van eigenheid!) Ik noem het...de passionele contemplatio. Het is een denkend bewustzijn dat niet wordt geweigerd vanwege vorige acties of gedachten. Het wordt met hen geconfronteerd en gedwongen over hen na te denken. Zo ontstaat wat men straffen en belonen noemt, maar niet meer aan de hand van een wetboek, maar door zelfreflectie en het inzien van de gevolgen van de eigen daden. Dat verklaart het contemplatio-gedeelte. Het passionele gedeelte ligt in het feit dat er niet één omvattend vorm van geluk domineert. Alle emoties die we hier ervoeren, passeren ook daar de revue: liefde, haat, spijt, trots,...al deze emoties vloeien nog door ons heen, maar dan hebben we de tijd ze ten volle door ons te laten stromen en ze in al hun complexiteit te onderzoeken. Zo komt er er de zuiverste vorm van emotionele belijdenis, iets wat onbereikbaar is in de gedwongen vluchtigheid waarin we ze op dit niveau ervaren. Het is niet enkel de herinnering aan ons eigen leven dat deze emoties oproept, maar ook aan dat van hen die nog hier zijn. We beschouwen de verdere daden en levens van onze nabestaanden en leven met hen mee. We zien in onze invloed op anderen en hun leven in.

Nu komt er nog een belangrijk aspect: lichamelijkheid. Is er een vorm van lichamelijkheid in het hiernamaals? Lichamelijkheid is een belangrijk element in de visie op een hiernamaals. Het toont veel over de houding t.o.v. aardse lichamelijkheid (hoewel 'aardse' hier een gevaarlijk adjectief is). Of zij zondig is of niet, of zij noodlottig is of veranderd mag worden, wanneer zij ideaal is en wanneer lelijk. Dus hoe zie ik lichamelijkheid en a fortiori lichamelijkheid in het hiernamaals? De idee dat de lichamelijkheid verwerpelijk is, is op zich verwerpelijk. Een onlichamelijk bestaan is een half bestaan. Er zijn zoveel zaken die we echt moeten missen als we ons lichaam wegcijferen. Het is een bron van leven en geluk. Hoe moeten we dan leven met het aftakelen? Dankbaar, eervol en des te verzorgender. Dankbaar voor het gebruik, het hoogtepunt en het genot te hebben mogen ervaren, maar nooit kleinerend of haatdragend. Zoals ik zei is een onlichamelijk bestaan een half bestaan, dus dan zou ook een onlichamelijk bestaan in het hiernamaals maar half zijn. Dat zou gewoon een te groot probleem vormen. Het vorm eveneens een probleem om de passies zonder meer los te schakelen van de het lichamelijke. Seksualiteit, blijdschap, verdriet en nog zoveel andere passies hebben psychosomatische karakters. Tranen werken verlossend en lachen is aanstekelijk. Ik zie een onlichamelijk hiernamaals als iets gruwelijks en daarom verwacht ik ook lichamelijkheid in het hiernamaals.

Waarom heb ik dan een geestelijk/abstract idee zoals de passionele contemplatio vooropgesteld als onze bestaansvorm in het hiernamaals. Omdat in het hiernamaals onze focus kan verschuiven naar dit contemplatief zijn, doordat de vergangelijkheid van het lichamelijke ons niet meer in de ogen staart. Onze bezorgdheid over gezondheid, conditie, lichamelijke esthetiek en alle andere domeinen van de persoonlijke en maatschappelijke houding t.o.v. het lichaam vallen weg. Nu is de vraag hoe de genezijdse lijflijkheid (om eens een ander woord te gebruiken) zich concreet toont. Het lichaam dat ons daar 'ter beschikking wordt gesteld' is perfect in nut, maar identiek aan hetgene dat we nu hebben qua esthetiek. Een been dat verloren is, 'komt terug', maar een moedervlek of 'onaantrekkelijke' neus wordt niet gecorrigeerd (afschuwelijk woord voor zo'n zaken). Ook mensen met een beperking zullen hier last meer van ondervinden in het hiernamaals. Onze genezijdse lichamelijkheid zal dus perfect zijn in nut, maar 'onvolmaakt' qua esthetiek.

Aangezien we een bewustzijn en een lichaam hebben, kunnen er dan niet gelijkaardige situaties ontstaan zoals in dit leven, waarbij ik doel op onderdrukking, racisme, pesterijen,...? De kwestie van racisme zal op twee manieren ongelooflijk bemoeilijkt worden: door de evidente gelijkheid in het hiernamaals en doordat er geen gronde meer is waarop een groep de ander zou kunnen benadelen, in gevaar brengen of in 'het domein' van de ander kan 'binnendringen'. Onderdrukking wordt bemoeilijkt door de vrijheid van levensmiddelen en het gebrek aan structuren die onderdrukking mogelijk maken. Pesterijen hun beperkende factoren zien we eveneens in de evidente gelijkheid en in het besef dat elke vorm van onderwerping nutteloos is geworden en eveneens de sociale/maatschappelijke structuren die pester en gepeste bijeenhouden ontbreken.

Het is me opgevallen dat ik hier nogal negatief sta t.o.v. dit leven overkom. Laat ik snel even zeggen dat dit niet zo is. Dit leven is eveneens een geschenk, iets waarvan genoten moet worden en geliefkoosd en bescherm moet worden, desalniettemin heeft ze noodzakelijke elementen die tevens bron zijn voor kwaad-lijden en goed-geluk.

Het belangrijkste element is de nietigheid (dat ook het element eindigheid omvat). Het is door ons besef van de nietigheid dat we zijn beginnen nadenken over eeuwigheid en grootsheid, moest dit besef er niet zijn dan waren waren die twee automatisch gegeven (principe van de uitgesloten derde van Aristoteles). De mens moet zichzelf groot maken en daar de eerste stap van is samenleven, een verband vormen dat bestaat uit nietige mensen, maar hen overstijgt. Zo ontstonden de gemeenschapswaarden, om iets boven ons te stellen, een gemeenschappelijk doel dat ons betekenis zal geven als groep en ons eveneens helpt overleven als groep. Wanneer iemand zijn eigen grootsheid boven die van de groep stelt, dan wordt deze gestraft (hubris en de bestraffing). Dit streven naar niet-nietigheid zien we in de politiek, de kunst, het denken en zelfs het meest basale sociaal contact. Het Romeinse keizerrijk, het rijk va Alexander en de middeleeuwse monarchieën waren stuk voor stuk een persoonlijk of gemeenschappelijk streven naar grootsheid, naar niet-nietigheid. Het is pas wanneer dit streven zo sterk in conflict komt met het streven van hun onderdanen dat de bestaande structuren onvoldoende worden om hen in het gareel te houden en de hubris van de machthebbers bestraft wordt.

Deze combinatie van streven en bestraffing heeft uiteindelijk geleid tot een democratie (hoewel we ons vragen kunnen stellen bij sommige van de hedendaagse structuren -I'm looking at you, Italy!). De democratie is in een opzicht het toonbeeld van de niet-nietigheid en in een ander een herbevestiging van nietigheid. In een democratie wordt iedereen (u weet zelf ook wel hoeveel zout u hierbij moet nemen) gemachtigd mee de staat te vormen, om de grootsheid mee te vormen, maar omdat iedereen hierin participeert en alle stemmen (in theorie) gelijkwaardig zijn, ervaren we die macht niet zoals het ideaal het voorheeft. We krijgen de idee van 'wat maakt één stem nu uit' en 'je kunt er toch niets aan veranderen', maar misschien stamt deze houding uit het individualisme van onze tijd en cultuur, misschien is het beter gesteld in met de niet-nietigheid van de democratie in meer collectivistische maatschappijen. Daar kan ik mij niet over uitspreken.

Hier ga ik mijn historische en antropologische analyse o.b.v. het nietigheidsprincipe stopzetten om geen 2de 'Synthese' te krijgen. Het enige dat ik nog over het onderwerp ga zeggen is dat ik de nietigheid niet als exclusief negatief zie. Ze staat mee aan de bron van de geschiedenis van de mensheid en drijft de mens naar grootse daden, slechte en goede. Ze is een intrinsiek deel van het mens-zijn en door ons bewustzijn ervan, motiveert het ons zo veel mens te zijn als we kunnen. Een van de grootste middelen voor de niet-nietigheid te bereiken is het hiernamaals. We wijzen de dood, het onontkomelijke teken van onze nietigheid, af en geloven in een voortbestaan of een herbestaan of een bestaan in een of andere zin.

Zo is een hiernamaals een heilmiddel, maar is het van dezelfde aard als godsdienst en religie? Godsdienst: Nee. Religie: Ja. Godsdienst nee, althans niet godsdienst zoals wij haar nu kennen, e.i.: Islam, christendom, jodendom (wij kennen natuurlijk nog andere godsdiensten maar dit zijn degene die ons idee het meest domineren, iets waar we toch van moeten afstappen als we echt vrij over godsdienst willen praten). Het hiernamaals eist niet van nature een moraal, iets dat we zijn bij de meer traditionele samenlevingen. De ethiek die we zien bij godsdiensten i.v.m. het hiernamaals en hoe daar een plekje te krijgen stamt niet vanuit dat hiernamaals, maar vanuit de essentie en het doel dat de godsdienst aan de gelovige en de heiden toeschrijft. Dit doel wordt dan vaak aan bepaalde voorschriften (rituelen, geboden, verboden) gebonden om de gelovige te tonen hoe dit doel bereikt kan worden. Dit systeem van regels zien veel gelovigen (vooral zij die niet de kans krijgen een meer contemplatieve geloofsbelijdenis te beleven of mensen die niet zo zeker zijn in hun geloof of er d.m.v. angst in gejaagd zijn) dat exclusief hiernamaals zien als doel van hun geloof. Jan van Ruusbroeck heeft die de gehuurde dienaars genoemd. Weer zien we hier dus het hiernamaals als heilmiddel maar om dit te verbinden aan een godsdienstig systeem dat een hiernamaals propageert of de voorschriften van die godsdienst is niet gerechtvaardigd.

Hiernamaals = heilmiddel = religie => hiernamaals ~ religie. Tijd om dat eens te verklaren. Misschien ook eens duidelijk definiëren wat ik onder religie versta. De definitie van religie kan wel nogal algemeen zijn, maar dit komt doordat religie een heel algemeen begrip is en een zeker transcendent element in zich heeft. Religie: zn, de ~, -s, een samenzijn met als doel een collectief of particulier belang waarbij men tracht te vluchten van het dagelijkse leven of dat te beïnvloeden. Zo, als dat niet algemeen is, dan weet ik het ook niet meer.
Nu, hoe kan ik dan zeggen dat een hiernamaals een gelijkaardig heilmiddel is als religie? Well, let's start by stating the obvious. Het hiernamaals, het geloof erin, het denken en praten erover zijn als zeker niet dagdagelijks (zeker niet in deze geseculariseerde maatschappij). Dan komt het accident collectief. Het geloof in één hiernamaals voor één enkel individu lijkt mij niet ondenkbaar (ik bedoel, dat heb ik net gedaan), maar wel enigszins ondraaglijk en uitermate nefast voor dit leven. De competitiedrang en de constante intense zelfbeoordeling zouden geluk bedwingen en de mens in een zelfontworpen gevangeniscel gooien waarin hij zijn vrije handelen ketent aan de maatstaven van de groep, want zij zal vastleggen welke eigenschappen tot het Ene Hiernamaals leiden, ziet u, een hiernamaals wordt aan moraliteit gebonden, wanneer zij exclusief wordt.

Maar wat dan met een Een Hiernamaals (EH) dat een willekeurig iemand geniet, een contingent voortbestaan? Je hebt (binnenkort) een 1/10.000.000.000 kans om na dit leven nog verder te kunnen gaan, dus...Waarom dan nog moeite doen? Een dergelijk CEH/ECH (whichever takes your fancy) brengt de mens eveneens tot een immanent frame en zet ons weer gevangen in het dagelijkse leven en kwalificeert dus niet als een religie (zwak punt -> volgens mij definitie), maar kwalificeert het als hiernamaals? Ja, alles dat een leven na het deze inhoudt is een hiernamaals, maar hier zien we weer dat rationaliteit soms strookt met de mens, want hoewel we de waarheid van de stelling inzien, is er de neiging om het hiernamaals te collectiviseren, iets wat net voortvloeit uit het heilzame van het geloof in het hiernamaals, want zo leven onze naasten en ook wij voort en is de dood niet meer de onvermijdelijke bekroning van onze nietigheid en in deze aardse wereld kan ik wel wat heil gebruiken.

Life is for living, the afterlife is for thinking it all over again -WM-